wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4: de bloedsomloop: BS 5 & 6

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Zijn bloedvaten genoemd naar een orgaan?

a)

ja

b)

nee

2.

Is de aorta de grootste ader?

a)

ja

b)

nee

3.

Is de aorta de grootste slagaderader?

a)

ja

b)

nee

4.

Is de holle ader de grootste ader?

a)

ja

b)

nee

5.

Vervoert de holle ader bloed van het hart naar de overige organen?

a)

ja

b)

nee

6.

Krijgt de aorta bloed uit de rechterkamer?

a)

ja

b)

nee

7.

Heten de kleinste bloedvaten in de darmen darmhaarvaten?

a)

ja

b)

nee

8.

Vervoert de longslagader bloed naar de longen?

a)

ja

b)

nee

9.

Vervoert de nierader bloed naar de nieren?

a)

ja

b)

nee

10.

Vervoert de holle ader bloed van het hart naar de overige organen?

a)

ja

b)

nee

11.

In de afbeelding zijn sommige bloedvaten rood en andere blauw gekleurd. Zijn de meeste blauw gekleurde bloedvaten aders, haarvaten of slagaders?

a)

aders

b)

haarvaten

c)

slagaders

12.

Kan door cholesterol een bloedvat nauwer worden?

a)

ja

b)

nee

13.

Vervoert een kransslagader zuurstof naar de cellen van het hart?

a)

ja

b)

nee

14.

Gaan voedingsstoffen via een kransader naar de cellen van het hart?

a)

ja

b)

nee

15.

Vervoeren kransaders koolstofdioxide en andere afvalstoffen weg van het hart?

a)

ja

b)

nee

16.

Is bij een hartinfarct een kransader verstopt?

a)

ja

b)

nee

17.

Is bij een herseninfarct een kransader verstopt?

a)

ja

b)

nee

18.

Heeft iemand met overgewicht meer kans op een hartinfarct dan iemand met een normaal gewicht?

a)

ja

b)

nee

19.

Heeft iemand die rookt meer kans op hart- en vaatziekten??

a)

ja

b)

nee

20.

Hebben mensen die veel zout eten minder kans op een hartinfarct?

a)

ja

b)

nee

21.

In de afbeelding zie je Klaas en Piet. Zij doen aan waterpolo. Wordt door sporten de kans op hart- en vaatziekten groter. kleiner of verandert de kans niet?

a)

De kans op hart- en vaatziekten wordt groter.

b)

De kans op hart- en vaatziekten wordt kleiner.

c)

De kans op hart- en vaatziekten verandert niet.

22.

Een bloedstolsel waardoor een bloedvat verstopt raakt.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

23.

Stof waardoor een bloedvat nauwer kan worden.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

24.

Voedingsmiddelen die soms verzadigde vetten bevatten.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking

25.

Wanneer een bloedvat verstopt is geraakt door cholesterol.

a)

trombose

b)

cholesterol

c)

dierlijke voedingsmiddelen

d)

plantaardige voedingsmiddelen

e)

slagaderverkalking