Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Matti en Mona Kleren

Total questions: 30

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

a)

de schoen

b)

de sjaal

c)

de muts

d)

de broek

2.

a)

de broek

b)

de rok

c)

het kleed

d)

het T-shirt

3.

ik draag een paarse sjaal.

a)
b)
c)
d)
4.

zij draagt een rok.

a)

ja

b)

nee

5.

ik draag een groene jas.

a)
b)
c)
d)
6.

hij draagt een bloes

a)

ja

b)

nee

7.
a)

de schoen

b)

de sjaal

c)

de pyjama

d)

de broek

8.

Wat is dat?

(a)  

9.

om te zwemmen draag ik ...

a)

een onderbroek

b)

een zwembroek

c)

een zwempak

d)

een pantoffel

10.

In de winter draag ik ...

a)

een rok

b)

een sjaal

c)

een muts

d)

handschoenen

11.

In de zomer draag ik ...

a)

een rok

b)

een muts

c)

een broek

d)

een short

12.

Vandaag, draag ik ...

(a)  

13.

ik zie een rode rok

a)

ja

b)

nee

14.

ik zie een roze kous/sok

a)

ja

b)

nee

15.
a)

de bloes

b)

het hemd

c)

de rok

d)

de trui

16.

ik draag een ...

a)

handschoen

b)

schoenen

c)

broek

17.

jongens dragen ..

a)

een rok

b)

een broek

c)

een zwembroek

d)

een T-shirt

18.

Meisjes dragen...

a)

een broek

b)

een jurk

c)

een short

d)

een hemd

19.
a)

ik draag een witte broek

b)

ik draag een blauwe broek

c)

ik draag groene broek

d)

ik draag een roze broek

20.

Wat is dat?

(a)  

21.

a)

de schoen

b)

de broek

c)

de handschoen

d)

de hand

22.

Vandaag draag ik een broek, een T-shirt en sokken.

a)
b)
c)
d)
23.

Vandaag draag ik een kleed, een muts en een sjaal.

a)
b)
c)
d)
24.



(a)  

25.

a)

ik draag een rode bloes.

b)

ik draag een witte bloes.

c)

ik draag een gele bloes.

26.

a)

ik draag een zwarte trui.

b)

ik draag een blauwe trui.

c)

ik draag een gele trui.

27.

a)

ik draag een groene jas

b)

ik draag een blauwe jas

c)

ik draag een gele jas

28.

a)

ik draag een zwarte rok.

b)

ik draag een paarse rok.

c)

ik draag een gele rok.

d)

ik draag een blauwe rok.

29.

a)

zij draagt een paars zwempak

b)

zij draagt een gele zwempak

c)

zij draagt een oranje zwempak

30.

a)

hij draagt een blauwe zwembroek.

b)

hij draagt een paarse zwembroek.

c)

hij draagt een gele zwembroek.