Font size
WorksheetsVVV klas 2 hv en v haben en sein
Total questions: 30
Worksheet time: 12mins
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Unsere Ballettlehrerin ist streng.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Eine Turnerin ist gefallen.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Das Stadion wurde hier neu gebaut.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Das Spiel ist zu Ende.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Mein Hockeyschläger ist kaputt.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Die Sportler sind sehr müde.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Unser Nationalmeister hat viele Medaillen.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Diese Läuferin trainiert viel.
(a)
Vervang het onderstreepte zinsdeel door een persoonlijk voornaamwoord en vul er, sie of es in.
Die Zuschauer singen Vereinslieder.
(a)
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Heb jij) (a) ein Handy?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
Weißt du, wo (hij is) (a) ?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Het is) (a) schon vier Uhr.
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Hebben jullie) (a) schon Pause gehabt?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
Wer (bent u) (a) ?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
Wann (zijn jullie) (a) angekommen?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Ik heb) (a) Süßigkeiten mitgebracht.
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Heeft zij) (a) dich vom Bahnhof abgeholt?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
Wo (ben jij) (a) jetzt?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
(Is zij) (a) hier in der Nähe gewesen?
Vertaal de persoonlijke voornaamwoorden en werkwoordsvormen die tussen haakjes staan in het Duits.
Da (hebt u) (a) ja Glück gehabt.
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
(a) Deutsch neu für dich?
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
_______________ (jij) _______________ neu hier?
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
. _______________ (u) _______________ schon lange Arzt?
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
(Hij) _______________ _______________ ein Niederländer.
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
(Wij) _______________ _______________ beide 14 Jahre alt.
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
(Ik) _______________ _______________ Deutsch in der Schule.
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
_______________ (jullie) _______________ keine Geschwister?
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
(Wij) _______________ _______________ schon lange zu Hause.
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
Katja ___________ eine Freundin. _____ heißt Carola.
(a)
Ergänze die richtige Form von haben oder sein. Übersetze auch das Personalpronomen.
Else ___________ eine Großmutter. ________ ist 80 Jahre alt.
(a)
