wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BioQuiz - thema 2 - bs 4

Total questions: 34

Worksheet time: 1hrs 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor type cel wordt er op de afbeelding weergegeven?

(a)  

2.

Welk onderdeel wordt er aangegeven met nummer 1?

(a)  

3.

Welk celorganel wordt er aangegeven met nummer 2?

(a)  

4.

Welk celorganel wordt er aangegeven met nummer 3?

(a)  

5.

Welk celorganel wordt er aangegeven met nummer 4?

(a)  

6.

Welk celorganel wordt er aangegeven met nummer 5?

(a)  

7.

Welk deel van de celorganel wordt er aangegeven met nummer 6?

(a)  

8.

Welk deel van de celorganel wordt er aangegeven met nummer 7?

(a)  

9.

Welk type cel wordt op de afbeelding weergegeven?

(a)  

10.

Welk celorganel wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

11.

Welk celorganel wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

12.

Welk deel van de celorganel wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

13.

Welk deel van de celorganel wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

14.

Welke beschrijving(en) van de functie(s) van het celmembraan is/zijn juist?

a)

Het scheiden van de inhoud van de cel van zijn omgeving.

b)

Het binnenhalen van stoffen die de cel nodig heeft met behulp van eiwitten.

c)

Het zorgen voor stevigheid van de cel.

d)

Hierin vindt fotosynthese plaats.

15.

Welke beschrijving geeft de functie van de celwand het beste weer?

a)

De celwand zorgt voor stevigheid.

b)

De celwand zorgt ervoor dat de inhoud van de cel gescheiden is van zijn omgeving.

c)

De celwand houdt ziekteverwekkers tegen.

d)

In de celwand bevinden zich bladgroenkorrels die zorgen voor fotosynthese.

16.

Welke beschrijving(en) van de functie(s) van de vacuole is/zijn juist?

a)

De vacuole zorgt voor stevigheid van de cel.

b)

De vacuole slaat stoffen op.

c)

De vacuole zorgt voor de groene kleur van de plant.

d)

De vacuole zorgt ervoor dat fotosynthese plaatsvindt.

17.

In het cytoplasma van plantaardige cellen kunnen korrels voorkomen met een speciale functie. Wat is de verzamelnaam van deze korrels?

(a)  

18.

Welke plastiden zorgen voor de rode kleur van de paprika's?

(a)  

19.

Welke plastiden komen voor in de cellen van aardappels?

(a)  

20.

Welke plastiden komen voor in de cellen van de groene gedeelten van de prei?

(a)  

21.

Een paprika die nog niet rijp is, is groen. Dat is handig voor de plant, want dan valt de vrucht nog niet zo op. Een paprika die rijp is, is klaar om gegeten te worden en kleurt rood. Hoe komt dit?

a)

Zetmeelkorrels veranderen in bladgroenkorrels.

b)

Bladgroenkorrels veranderen in kleurstofkorrels.

c)

Kleurstofkorrels veranderen in bladgroenkorrels.

d)

Kleurstofkorrels veranderen in zetmeelkorrels.

22.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

In het cytoplasma

b)

In de celkern

c)

In de vacuole

d)

Tegen de celwand aan

23.

Welke onderdelen kunnen voorkomen in een dierlijke cel?

a)

grote vacuole

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

bladgroenkorrel

24.

Welke onderdelen kunnen voorkomen in een plantaardige cel?

a)

grote vacuole

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

bladgroenkorrel

25.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantaardige cel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

Een celkern

b)

Een celmembraan

c)

Een celwand

26.

Welke letter geeft een deel aan waarin fotosynthese optreedt?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

e)

T

27.

Kirsten krijgt de opdracht om een cel met bladgroen te bekijken en te tekenen. Kan zij één van deze preparaten hiervoor gebruiken? Zo ja, welk?

a)

nee

b)

1

c)

2

d)

3

e)

4

28.

Waarmee is de vacuole gevuld?

a)

Lucht

b)

Cytoplasma

c)

Water met opgeloste stoffen

d)

Kernplasma

e)

Plastiden

29.

Waar gaat de groene kleur van de bladeren van een boom in de herfst naar toe?

a)

deze verdwijnt in de lucht voordat de bladeren afvallen

b)

de kleur verdwijnt omdat de bladgroenkorrels verteerd worden

c)

de kleur verdwijnt doordat de bladgroenkorrels afsterven

d)

de kleur verdwijnt omdat de boom de bladgroenkorrels uit de bladeren terughaalt

30.

Iemand bekijkt een cel onder de microscoop. Hij neemt het volgende waar: celkern, plastiden en een vacuole.


Op basis van welke kenmerken weet de leerling zeker dat dit cellen zijn van een plant?

a)

Op basis van de plastiden, celkern en vacuole.

b)

Op basis van de plastiden en vacuole.

c)

Op basis van de vacuole.

d)

Op basis van en vacuole en chromosomen.

e)

Op basis van de plastiden.

31.

Uit onderzoek aan een cel, die in het midden van een plantenwortel zat, blijkt dat hij veel plastiden bevat.


Welke plastiden zullen dat zeer waarschijnlijk zijn geweest?

a)

Zetmeelkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Bladgroenkorrels, zetmeelkorrels en kleurstofkorrels

d)

Bladgroenkorrels en zetmeelkorrels

e)

Zetmeelkorrels en kleurstofkorrels

32.

Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen.

Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan.


Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?

a)

kleurstofkorrels worden zetmeelkorrels

b)

zetmeelkorrels worden bladgroenkorrels

c)

zetmeelkorrels worden kleurstofkorrels

d)

bladgroenkorrels worden zetmeelkorrels

33.

Waar in een plantencel zit het celmembraan?

a)

Aan de buitenkant van het cytoplasma

b)

Aan de buitenkant tegen de celkern

c)

Tegen de vacuole aan

d)

Aan de buitenkant van de celwand

34.

Bij dierlijke cellen zorgt de celwand voor stevigheid.

a)

Juist

b)

Onjuist