wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TV H3 klas 2 (verwijswoorden en voltooid deelwoord)

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

2.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

3.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

4.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

5.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

6.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

7.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

8.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

9.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

10.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

11.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker (a)   (pinnen).

12.

Noteer het voltooid deelwoord.

Gisteren heb ik de deur om tien uur (a)   (sluiten).

13.

Noteer het voltooid deelwoord.

Ik was (a)   (raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

14.

Noteer het voltooid deelwoord.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring (a)   (werpen).

15.

Noteer het voltooid deelwoord.

De docent had alle fouten (a)   (doorstrepen).

16.

Noteer het voltooid deelwoord.

Heb je de kratjes (a)   (opstapelen)?

17.

Noteer het voltooid deelwoord.

Heb je haar een kaartje (a)   (sturen)?

18.

Noteer het voltooid deelwoord.

De stallen worden binnenkort (a)   (slopen).

19.

Noteer het voltooid deelwoord.

Op het feest heeft hij met haar (a)   (dansen).

20.

Noteer het voltooid deelwoord.

Yasmine heeft zijn haar blauw (a)   (verven).

21.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?

Het gebeurt tijdens iedere les.

a)

Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

b)

Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.

22.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

23.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord