Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE boek A BVJ 3M biologie

Total questions: 36

Worksheet time: 3hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn twee soorten geslachtscellen.

Welke geslachtscel kan zichzelf voortbewegen?

a)

eicellen

b)

zaadcellen

2.

Geef een andere naam voor reductiedeling.



(a)  

3.

Hoeveel geslachtschromosomen bevat een onbevruchte eicel van een vrouw? (schijf alleen het getal)

(a)  

4.

Is een eicel ontstaan door gewone celdeling of door reductiedeling?

a)

gewone celdeling

b)

reductiedeling

5.

Hoeveel chromosomen bevat een dochtercel uit de wand van een rijpe follikel bij een vrouw?

a)

2 chromosomen

b)

1 chromosoom

c)

23 chromosomen

d)

46 chromosomen

e)

64 chromosomen

6.

Een hond heeft in de kern van een levercel 78 chromosomen. Hoeveel geslachtschromosomen tref je aan in de kern van de levercel van een hond?

a)

78

b)

39

c)

2

d)

1

7.

Een hond heeft in de kern van een levercel 78 chromosomen. Hoeveel chromosomen tref je aan in de kern van een zaadcel van een hond?

a)

78

b)

39

c)

2

d)

1

8.

Bij poezen vindt pas na paring ovulatie plaats.

Welke letter in de tweede afbeelding hieronder geeft een orgaan aan waarin eicellen na ovulatie als eerste terechtkomen?

a)

letter W

b)

letter X

c)

letter Y

d)

letter Z

9.

Op welke wijze zorgt de anticonceptiepil (de pil) voor bescherming tegen zwangerschap?

a)

het doodt de bevruchte eicel

b)

het voorkomt de rijping van follikels (eicellen)

c)

het doodt de eicel

d)

Het voorkomt innesteling

10.

Zwangerschappen van drie of meer kinderen kunnen spontaan ontstaan. Drielingen zijn meestal drie-eiig, maar het komt ook voor dat een drieling bestaat uit een eenling en een eeneiige tweeling. Heel soms is een drieling ontstaan uit één bevruchte eicel. Er is dan sprake van een eeneiige drieling.

Bij welke drieling hebben alle drie de kinderen hetzelfde genotype?

a)

bij een drie-eiige drieling

b)

bij een eenling en een eeneiige tweeling

c)

bij een eeneiige drieling

11.

Bekijk de afbeelding, je ziet enkele fasen van de bevalling. Welke fase stelt nummer 3 voor?

a)

indaling

b)

ontsluiting

c)

uitdrijving

d)

nageboorte

12.

Bekijk de afbeelding, je ziet enkele fasen van de bevalling. Welke fase stelt nummer 4 voor?

a)

indaling

b)

ontsluiting

c)

uitdrijving

d)

nageboorte

13.

Er vindt een bevruchting van een eicel plaats op 12 maart 2020. Rond welke dagen zal de innesteling plaatsvinden?

a)

rond 12 maart

b)

rond 17/18/19 maart

c)

rond 26/27/28 maart

d)

rond 12 december

14.

Op de afbeelding zie je een lengtedoorsnede van een deel van het vrouwelijk lichaam. Het is een afbeelding tijdens een operatie om de vrouw te steriliseren. Hoe heet het orgaan dat is aangegeven met de letter P?

a)

eierstok

b)

eileider

c)

baarmoeder

d)

vagina

15.

Welk genotypen hebben nummer 3 en 4?

a)

3: aa en 4:Aa

b)

3: AA en 4: AA

c)

3: Aa en 4: Aa

d)

3: aa en 4: aa

16.

Welk genotypen hebben nummer 7?

a)

aa

b)

AA

c)

Aa

17.

Is het gen voor taaislijmziekte recessief of dominant?

a)

recessief

b)

dominant

18.

welke kruising in de stamboom verraadt welk gen dominant is en welk gen recessief?

a)

kruising 1 x 2 --> kind 4

b)

kruising 3 x 4 --> kind 7

c)

kruising 5 x 6 --> kind 8

19.

Verandert door de werking van de geslachtshormonen het fenotype voor ‘haarkleur’? En verandert het genotype erdoor?

a)

alleen het fenotype

b)

alleen het genotype

c)

zowel het fenotype als het genotype

20.

De verhouding 246:79 is ongeveer gelijk aan?

a)

1 : 1

b)

100%

c)

3 : 1

21.

Kreeg persoon 3 een recessief gen of een dominant gen van haar moeder?

a)

een recessief gen, want moeder is homozygoot recessief

b)

een recessief gen, want moeder is homozygoot dominant

c)

een dominant gen, want moeder is homozygoot dominant

d)

een dominant gen, want moeder is heterozygoot

22.

Bij een runderras is de vachtkleur rood of wit of rood-wit gevlekt. De vachtkleur is een erfelijke eigenschap. Als een rood rund wordt gekruist met een wit rund zijn alle nakomelingen rood-wit gevlekt.

Het fenotype van deze nakomelingen wordt intermediair genoemd.

Een rood-wit gevlekte rund wordt met een wit rund gekruist.

Hoe groot is de kans op een witte nakomeling bij deze kruising? Niet gokken, maar werk op een kladblaadje de kruising eerst uit!!

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

23.

Wat is een rudimentair orgaan?

a)

een orgaan met veel overeenkomst in

bouw met andere organen bij verschillende organismen.

b)

een orgaan dat geen functie meer heeft.

c)

een orgaan dat alleen bij uitgestorven soorten een functie hadden.

24.

Na een celdeling zijn de dochtercellen nog kleiner dan de moedercellen. Door welk proces worden de dochtercellen even groot als de oorspronkelijke moedercel?

a)

door plasmagroei

b)

door celstrekking

c)

door mitose

25.

De celbouw van de verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken. Men vergelijkt algen, gisten en bacteriën met elkaar.

Welk van deze organisme of welke van deze organismen hebben een celkern?

a)

alleen de algen en de bacteriën

b)

alleen de algen en de gisten

c)

alleen de bacteriën en de gisten

d)

zowel de algen, de bacteriën als de gisten

26.

Indeling van organismen:

Domein - Rijk - 1 - klasse - orde - 2 - 3 - soort.

welke naam hoort er op de plaats aangegeven met nummer 1?

a)

stam

b)

familie

c)

geslacht

d)

domein

27.

Indeling van organismen:

Domein - Rijk - 1 - 2 - orde - 3 - 4 - soort.

welke naam hoort er op de plaats aangegeven met nummer 3?

a)

klasse

b)

familie

c)

geslacht

d)

stam

28.

wanneer is een dier koudbloedig?

a)

als de lichaamstemperzuur van het dier min of meer constant is.

b)

als de lichaamstemperzuur van het dier min of meer gelijk is aan de omgeving.

29.

Je ziet een tekening van een dwarsdoorsnede van de romp van de mens. Hoe heet het orgaan dat is aangegeven met de letter P?

a)

maag

b)

luchtpijp

c)

hart

d)

slokdarm

30.

Bekijk het plaatje van 3 type cellen. Welke cel tref je aan in het menselijk lichaam?

a)

cel P

b)

cel Q

c)

cel R

31.

In de afbeelding zie je een tekening van een plantaardige cel. hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met nummer 1?

a)

celkern

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

vacuole

32.

In de afbeelding zie je een tekening van een plantaardige cel. hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met nummer 2?

a)

celkern

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

vacuole

33.

In de afbeelding zie je een tekening van een plantaardige cel. hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met nummer 3?

a)

celkern

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

vacuole

34.

In de afbeelding zie je een tekening van een plantaardige cel. hoe heet het onderdeel dat is aangegeven met nummer 4?

a)

celkern

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

vacuole

35.

In de afbeelding zie je een tekening van een plantaardige cel. Met welk nummer is een onderdeel aangegeven waarin fotosynthese kan plaatsvinden?

a)

met 1

b)

met 2

c)

met 3

d)

met 4

e)

met 5

36.

welke stoffen worden er tijdens de fotosynthese geproduceerd?

a)

zuurstof en koolstofdioxide

b)

glucose en koolstofdioxide

c)

glucose en zuurstof

d)

water en koolstofdioxide