WorksheetsV3 TOETS Kapitel 3
Total questions: 40
Worksheet time: 30mins
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
Hier ist eine Grenze erreicht. de krijtkust / de rots / de limiet
(a)
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
So wird es, wenn man es noch mal erklärt. bovendien / lukken / duidelijk
(a)
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
In den Ferien will ich Action, ich will was (a) beschadigen / missen / beleven
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
Das gehört zu einem Surfbrett und Kitebrett:
het scherm / de trede / de rivier
(a)
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits :
Bevor man in die Berge geht, sollte man den Wetterbericht...
eisen / behouden / letten op
(a)
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
Darauf steht man beim Surfen und Skateboard fahren.
de plaats /de plank / het vuilnis
(a)
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
Wenn man Trainer werden will, braucht man einen (a)
luier / een veld / akte
Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:
So kann man den Chef einer Firma bezeichnen.
de ondernemer / het slachtoffer / de volwassene
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Die Tiere werden nervös.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Ich bin im Sommer gerne in den Bergen.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Ihr werdet immer stärker.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Der Bär ist verschwunden.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Peter hat einen neuen Volkswagen gekauft.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Seid ihr wirklich krank?
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Wir haben um 7 Uhr gefrühstückt.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:
Ihr habt genug Zeit gehabt.
(a)
De 7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:
Ich warte auf (mijn) (a) Bus. (m)
7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:
Ich zweifle sehr an (jouw) (a) Verstand.(m)
7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:
Wir haben alle Schuld an (de) (a) Umweltverschmutzung. (v)
7 / 2 regel : Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:
Du redest schon wieder über (jouw) (a) Freundin!
7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:
Meine Kinder wollen in (een) (a) guten welt leben. (vr)
7 / 2 regel: Vertaal het woord tussen haakjes in het Duits:
Man soll mehr Wert auf (de) (a) Natur legen. (vr)
7 / 2 regel: Vertaal het woord tussen haakjes in het Duits:
Wir denken jetzt über (de) (a) Folgen in der Natur nach.
Vul in het Duits het woord in: Welk woord wordt hier omschreven?
In der Natur spazieren gehen.
wandelen / leiden / glijden
(a)
Vul in het Duits het woord in : welk woord wordt hier omschreven?
Blau, rot und grün sind schöne (a) treden / kleuren / turkoois
Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?
Den Tieren etwas zu essen geben. missen / voeren / behouden
(a)
Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?
Er strömt von A nach B.
het eiland / de grot / de rivier
(a)
Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?
Teil einer Treppe.
de plank / de trede / de bescherming
(a)
Vul het woord in het Duits in: welk woord wordt hier omschreven?
Sich den Berg hinaufbewegen.
wandelen / erbij komen / klimmen
(a)
Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?
2021 denkt man ganz anders über viele Sachen nach als früher.
dagelijks / beslist / tegenwoordig
(a)
Vul in het Duits het woord in : welk woord wordt hier omschreven?
Es ist weit, tief und blau.
de zee / de vijver / de rotsen
(a)
Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:
erlebt - nie - noch - ich - Schnee - viel - so - habe
(a)
Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:
war - unerträglich - die Hitze - sehr
(a)
Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:
snowboarden - gewesen - du - mal - bist - schon ?
(a)
Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:
wichtig - Naturschutz - heutzutage - ist - dich - für?
(a)
Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:
In - man - Skifahren - Gerlos - kann - gut
(a)
Vertaal de aanhef:
Lieve Franz
(a)
Vertaal het volgende stukje:
Ik ben graag buiten.
(a)
Vertaal de volgende zin:
Zoveel sneeuw hadden we nog nooit!
(a)
Vertaal de volgende zin:
Er is te veel plastic in Zwitserland
(a)
