wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V3 TOETS Kapitel 3

Total questions: 40

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


Hier ist eine Grenze erreicht. de krijtkust / de rots / de limiet

(a)  

2.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


So wird es, wenn man es noch mal erklärt. bovendien / lukken / duidelijk

(a)  

3.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


In den Ferien will ich Action, ich will was (a)   beschadigen / missen / beleven

4.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


Das gehört zu einem Surfbrett und Kitebrett:

het scherm / de trede / de rivier

(a)  

5.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits :


Bevor man in die Berge geht, sollte man den Wetterbericht...

eisen / behouden / letten op

(a)  

6.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


Darauf steht man beim Surfen und Skateboard fahren.

de plaats /de plank / het vuilnis

(a)  

7.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


Wenn man Trainer werden will, braucht man einen (a)  

luier / een veld / akte

8.

Kies het juiste woord en vertaal dit woord in het Duits:


So kann man den Chef einer Firma bezeichnen.

de ondernemer / het slachtoffer / de volwassene

(a)  

9.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Die Tiere werden nervös.

(a)  

10.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Ich bin im Sommer gerne in den Bergen.

(a)  

11.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Ihr werdet immer stärker.

(a)  

12.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Der Bär ist verschwunden.

(a)  

13.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Peter hat einen neuen Volkswagen gekauft.

(a)  

14.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Seid ihr wirklich krank?

(a)  

15.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Wir haben um 7 Uhr gefrühstückt.

(a)  

16.

Vul de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd in:


Ihr habt genug Zeit gehabt.

(a)  

17.

De 7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:


Ich warte auf (mijn) (a)   Bus. (m)

18.

7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:


Ich zweifle sehr an (jouw) (a)   Verstand.(m)

19.

7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:


Wir haben alle Schuld an (de) (a)   Umweltverschmutzung. (v)

20.

7 / 2 regel : Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:


Du redest schon wieder über (jouw) (a)   Freundin!

21.

7 / 2 regel: Vertaal het Nederlandse woord tussen haakjes in het Duits:


Meine Kinder wollen in (een) (a)   guten welt leben. (vr)

22.

7 / 2 regel: Vertaal het woord tussen haakjes in het Duits:


Man soll mehr Wert auf (de) (a)   Natur legen. (vr)

23.

7 / 2 regel: Vertaal het woord tussen haakjes in het Duits:


Wir denken jetzt über (de) (a)   Folgen in der Natur nach.

24.

Vul in het Duits het woord in: Welk woord wordt hier omschreven?


In der Natur spazieren gehen.

wandelen / leiden / glijden

(a)  

25.

Vul in het Duits het woord in : welk woord wordt hier omschreven?


Blau, rot und grün sind schöne (a)   treden / kleuren / turkoois

26.

Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?


Den Tieren etwas zu essen geben. missen / voeren / behouden

(a)  

27.

Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?


Er strömt von A nach B.

het eiland / de grot / de rivier

(a)  

28.

Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?


Teil einer Treppe.

de plank / de trede / de bescherming

(a)  

29.

Vul het woord in het Duits in: welk woord wordt hier omschreven?


Sich den Berg hinaufbewegen.

wandelen / erbij komen / klimmen

(a)  

30.

Vul in het Duits het woord in: welk woord wordt hier omschreven?


2021 denkt man ganz anders über viele Sachen nach als früher.

dagelijks / beslist / tegenwoordig

(a)  

31.

Vul in het Duits het woord in : welk woord wordt hier omschreven?


Es ist weit, tief und blau.

de zee / de vijver / de rotsen

(a)  

32.

Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:


erlebt - nie - noch - ich - Schnee - viel - so - habe

(a)  

33.

Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:


war - unerträglich - die Hitze - sehr

(a)  

34.

Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:


snowboarden - gewesen - du - mal - bist - schon ?

(a)  

35.

Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:


wichtig - Naturschutz - heutzutage - ist - dich - für?

(a)  

36.

Zet de volgende woorden in de juiste volgorde zodat er een logische zin ontstaat:


In - man - Skifahren - Gerlos - kann - gut

(a)  

37.

Vertaal de aanhef:


Lieve Franz

(a)  

38.

Vertaal het volgende stukje:


Ik ben graag buiten.

(a)  

39.

Vertaal de volgende zin:


Zoveel sneeuw hadden we nog nooit!

(a)  

40.

Vertaal de volgende zin:


Er is te veel plastic in Zwitserland

(a)