Worksheetsgrammaire et conjugaison NED2
Total questions: 40
Worksheet time: 20mins
Wij ... (gaan) morgen naar Brussel.
gaan
ging
Ik ... (hebben) een nieuwe fiets.
heb
had
Zij ... (zijn) op school.
zijn
is
Jullie ... (wonen) in Luik.
woon
wonen
Mijn ouders ... (werken) in Antwerpen.
gewerkt
werken
Tom ... (komen) uit Gent.
komen
komt
Ik ... (willen) een water, alstublieft.
wilt
wil
Kun jij dat herhalen? – Ja, ik ... (kunnen) dat.
kunt
kan
Hij ... (hebben) een boek gelezen.
heeft
is
Wij ... (gaan) naar Frankrijk geweest.
zijn
hebben
Ik ... (eten) pizza gisteren.
had
heb
Zij ... (komen) laat thuis.
zijn
heb
We ... (spelen) voetbal in het park.
hebben
zijn
Hij ... (vallen) op de trap.
was
is
Ik ... (kopen) een nieuwe jas.
heb
had
Jullie ... (bezoeken) het museum.
hebben
waren
Vroeger ... (werken) hij in Brussel.
werk
werkte
Toen ik klein was, ... (spelen) ik vaak buiten.
gespeeld
speelde
Wij ... (zijn) moe na de wandeling.
geweest
waren
Hij ... (hebben) veel vrienden.
heeft
heb
Als kind ... (wonen) zij in Leuven.
woonde
woon
We ... (gaan) elke zomer naar zee.
gingen
gaan
Ik ... (zien) hem elke dag.
zag
zie
De les ... (beginnen) om acht uur.
begon
begonnen
Morgen ... ik studeren.
zal
zullen
Wij ... naar Spanje reizen.
gaan
zullen
Volgende week ... we een toets maken.
waren
zullen
Straks ... ik de leraar een vraag stellen.
zou
ga
Ik heb ... tijd.
geen
niet
Zij komt vandaag ... naar school.
niet
nooit
Er is ... probleem.
geen
niets
... woon jij?
Waar
Waar
... begint de les?
Wanneer
Wie
... kost dit boek?
Waarom
Hoeveel
Morgen ... wij naar de stad.
gaat
gaan
Ik blijf thuis omdat ik ziek ...
ben
ben
Hij zegt dat hij morgen niet ...
kan
kunt
We gaan niet, want het ... regenen.
zal
gaat
Ik denk dat hij morgen ... (komen).
komt
gekommen
We blijven thuis, omdat het te laat ...
zijn
is
