wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

grammaire et conjugaison NED2

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wij ... (gaan) morgen naar Brussel.

a)

gaan

b)

ging

2.

Ik ... (hebben) een nieuwe fiets.

a)

heb

b)

had

3.

Zij ... (zijn) op school.

a)

zijn

b)

is

4.

Jullie ... (wonen) in Luik.

a)

woon

b)

wonen

5.

Mijn ouders ... (werken) in Antwerpen.

a)

gewerkt

b)

werken

6.

Tom ... (komen) uit Gent.

a)

komen

b)

komt

7.

Ik ... (willen) een water, alstublieft.

a)

wilt

b)

wil

8.

Kun jij dat herhalen? – Ja, ik ... (kunnen) dat.

a)

kunt

b)

kan

9.

Hij ... (hebben) een boek gelezen.

a)

heeft

b)

is

10.

Wij ... (gaan) naar Frankrijk geweest.

a)

zijn

b)

hebben

11.

Ik ... (eten) pizza gisteren.

a)

had

b)

heb

12.

Zij ... (komen) laat thuis.

a)

zijn

b)

heb

13.

We ... (spelen) voetbal in het park.

a)

hebben

b)

zijn

14.

Hij ... (vallen) op de trap.

a)

was

b)

is

15.

Ik ... (kopen) een nieuwe jas.

a)

heb

b)

had

16.

Jullie ... (bezoeken) het museum.

a)

hebben

b)

waren

17.

Vroeger ... (werken) hij in Brussel.

a)

werk

b)

werkte

18.

Toen ik klein was, ... (spelen) ik vaak buiten.

a)

gespeeld

b)

speelde

19.

Wij ... (zijn) moe na de wandeling.

a)

geweest

b)

waren

20.

Hij ... (hebben) veel vrienden.

a)

heeft

b)

heb

21.

Als kind ... (wonen) zij in Leuven.

a)

woonde

b)

woon

22.

We ... (gaan) elke zomer naar zee.

a)

gingen

b)

gaan

23.

Ik ... (zien) hem elke dag.

a)

zag

b)

zie

24.

De les ... (beginnen) om acht uur.

a)

begon

b)

begonnen

25.

Morgen ... ik studeren.

a)

zal

b)

zullen

26.

Wij ... naar Spanje reizen.

a)

gaan

b)

zullen

27.

Volgende week ... we een toets maken.

a)

waren

b)

zullen

28.

Straks ... ik de leraar een vraag stellen.

a)

zou

b)

ga

29.

Ik heb ... tijd.

a)

geen

b)

niet

30.

Zij komt vandaag ... naar school.

a)

niet

b)

nooit

31.

Er is ... probleem.

a)

geen

b)

niets

32.

... woon jij?

a)

Waar

b)

Waar

33.

... begint de les?

a)

Wanneer

b)

Wie

34.

... kost dit boek?

a)

Waarom

b)

Hoeveel

35.

Morgen ... wij naar de stad.

a)

gaat

b)

gaan

36.

Ik blijf thuis omdat ik ziek ...

a)

ben

b)

ben

37.

Hij zegt dat hij morgen niet ...

a)

kan

b)

kunt

38.

We gaan niet, want het ... regenen.

a)

zal

b)

gaat

39.

Ik denk dat hij morgen ... (komen).

a)

komt

b)

gekommen

40.

We blijven thuis, omdat het te laat ...

a)

zijn

b)

is