wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Engelse werkwoorden in het Nederlands

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Ik [downloaden tegenwoordige tijd]

a)

download

b)

downloadt

c)

downloat

2.

Hij [downloaden tegenwoordige tijd]

a)

download

b)

downloadt

c)

downloat

3.

Jij [downloaden tegenwoordige tijd]

a)

download

b)

downloadt

c)

downloat

4.

Jij [downloaden verleden tijd]

a)

downloade

b)

downloadde

c)

downloaden

5.

Wij [downloaden verleden tijd]

a)

downloade

b)

downloadden

c)

downloaden

6.

Wij hebben [downloaden voltooid deelwoord]

a)

gedownload

b)

gedownloat

c)

downgeladen

7.

Wij hebben [faxen voltooid deelwoord]

a)

gefaxt

b)

gefaxd

c)

gefaxen

8.

Ik [faxen tegenwoordige tijd]

a)

fax

b)

faxe

9.

Hij [faxen tegenwoordige tijd]

a)

faxt

b)

faxet

c)

faxd

d)

faxed

10.

Jij [faxen tegenwoordige tijd]

a)

faxt

b)

faxet

c)

faxd

d)

faxed

11.

Jij [faxen verleden tijd]

a)

faxte

b)

faxde

c)

faxden

d)

faxten

12.

Ik [faxen verleden tijd]

a)

faxte

b)

faxde

c)

faxden

d)

faxten

13.

Ik [triggeren tegenwoordige tijd]

a)

trig

b)

trigger

c)

triggert

d)

trigg

14.

Jij [triggeren tegenwoordige tijd]

a)

triggert

b)

triggerd

c)

triggerdt

15.

Jij [saven verleden tijd]

a)

savede

b)

savete

c)

savte

d)

savde

16.

Jij [triggeren verleden tijd]

a)

triggerde

b)

triggerte

c)

triggerten

d)

triggerden

17.

Ik [triggeren verleden tijd]

a)

triggerde

b)

triggerte

c)

triggerten

d)

triggerden

18.

Wij zijn [triggeren voltooid deelwoord

a)

getriggert

b)

getriggerd

19.

Ik [saven verleden tijd]

a)

savede

b)

savete

c)

savte

d)

savde

20.

Ik [saven tegenwoordige tijd]

a)

save

b)

sav

21.

Hij [saven tegenwoordige tijd]

a)

savet

b)

savt

22.

Hij heeft [saven voltooid deelwoord]

a)

gesaved

b)

gesavet

23.

Hij heeft [daten voltooid deelwoord]

a)

gedate

b)

gedatet

24.

Hij [daten tegenwoordige tijd]

a)

date

b)

datet

25.

Jij [daten tegenwoordige tijd]

a)

date

b)

datet

26.

Zij [daten tegenwoordige tijd]

a)

date

b)

datet

27.

Jij [daten verleden tijd]

a)

date

b)

datete

28.

Hij [daten verleden tijd]

a)

date

b)

datete

29.

Zij [daten verleden tijd]

a)

date

b)

datete

30.

Zij [timen verleden tijd]

a)

timete

b)

timede

31.

Wij [timen verleden tijd]

a)

timeten

b)

timeden

32.

Hij [timen tegenwoordige tijd]

a)

timet

b)

timed

33.

Zij [timen tegenwoordige tijd]

a)

timet

b)

timed

34.

Zij [crossen tegenwoordige tijd]

a)

crost

b)

crosst

35.

Ik [crossen tegenwoordige tijd]

a)

cros

b)

cross

36.

Ik [crossen verleden tijd]

a)

croste

b)

crosste

37.

Ik heb [crossen voltooid deelwoord]

a)

gecrost

b)

gecrosst

c)

gecrosd

d)

gecrossd

38.

Ik heb [paintballen voltooid deelwoord]

a)

gepaintballd

b)

gepaintballt

c)

gepaintbald

d)

gepaintbalt

39.

Ik [paintballen verleden tijd]

a)

paintballde

b)

paintbalde

c)

paintballte

d)

paintbalte

40.

Ik [paintballen tegenwoordige tijd]

a)

paintball

b)

paintbal