wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

evolutie bvj 2021

Total questions: 49

Worksheet time: 1hrs 5mins

Name
Class
Date
1.

Zowel het ontstaan als het uitsterven van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Bekijk de afbeelding. Welke groep dieren is het oudste: de oervogel, het vogelachtig kruipend dier of de eerste krokodillen?

a)

de oervogel

b)

het vogelachtig kruipend dier

c)

de eerste krokodillen

3.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

4.

Hoeveel miljoen jaar geleden begon de ontwikkeling van de apen van de oude wereld als aparte groep volgens de gegevens in de stamboom?

a)

ongeveer 10 miljoen jaar geleden

b)

ongeveer 25 miljoen jaar geleden

c)

ongeveer 35 miljoen jaar geleden

d)

ongeveer 38 miljoen jaar geleden

5.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

6.

Welke uitspraken zijn juist? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Krokodillen zijn meer verwant aan vogels dan aan leguanen

b)

Veren hebben zich tijdens de evolutie eerder ontwikkeld dan haren.

c)

Koeien hebben meer verwantschap met de walvissen dan met de mensen

d)

Leguanen en buideldieren hebben beide vruchtvliezen

7.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
8.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
9.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
10.
De walvis is van het land weer terug het water in gegaan.
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
Wijsheidstanden, de appendix, het staartbeentje zijn voorbeelden van....
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
12.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
13.
Organen met een verschillend bouwplan maar met dezelfde functie noemt men
a)
homologe organen
b)
analoge organen
c)
rudimentaire organen
14.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
15.

Kijk naar de afbeelding. Je ziet een poot van een konijn, een poot van een sprinkhaan en een poot van een kikker.

Welke van deze poten vertonen een homologe bouw?

a)

konijn en sprinkhaan

b)

kikker en konijn

c)

kikker en sprinkhaan

16.

In het plaatje hiernaast zie je steeds hetzelfde bot in verschillende diersoorten. Waar is dit een voorbeeld van?

a)

Rudimentaire structuren

b)

Embryologie

c)

Homologe structuren

d)

Fossiele structuren

17.

In Azië is een kaakbeen met kiezen van een oerwalvis gevonden. Men schat dat de resten 48 miljoen jaar oud zijn.

In Nederland worden regelmatig resten gevonden van uitgestorven mammoeten. In de afbeelding zijn een schedel en een kies van zo’n mammoet getekend. Uit zulke resten kan men afleiden wat voor voedsel die dieren aten.

Het voedsel van de oerwalvis is vooral ....1....

Het voedsel van de mammoet is vooral ....2....

a)

1=dierlijk / 2=plantaardig

b)

1=plantaardig / 2=dierlijk

c)

1 en 2 dierlijk

d)

1 en 2 plantaardig

18.
a)

geen beide conclusies is juist

b)

alleen conclusie 1 is juist

c)

alleen conclusie 2 is juist

d)

beide conclusies zijn juist

19.

Welke uitspraken zijn juist? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Krokodillen zijn meer verwant aan vogels dan aan leguanen

b)

Veren hebben zich tijdens de evolutie eerder ontwikkeld dan haren.

c)

Koeien hebben meer verwantschap met de walvissen dan met de mensen

d)

Leguanen en buideldieren hebben beide vruchtvliezen

20.

Je ziet hier een deel van de evolutie van varkensachtigen. Hoeveel groepen varkensachtigen waren er aan het eind van het oligoceen?

a)

3

b)

4

c)

6

d)

7

21.

Wie was de schrijver van de Evolutietheorie?

a)

Charlie Sheen

b)

Charlie Chaplin

c)

Charles Darwin

d)

Charles VIII

22.
Hieronder staan een aantal verschijnselen in de natuur:
1.overeenkomsten in bouw door analogie
2. overeenkomsten in bouw door homologie
3. recombinaties
4. mutaties
Welk verschijnsel kan of welke verschijnselen kunnen gebruikt worden als argument dat er evolutie heeft plaats gevonden?
a)
alleen 1, 2 en 3
b)
alleen 2
c)
alleen 3 en 4
d)
alleen 2, 3 en 4
23.
Een jongen gaat vaak naar de sportschool. Hierdoor krijgt hij gespierde armen en benen.
Wat verandert hierdoor: zijn genotype of zijn fenotype?
a)
Alleen zijn genotype
b)
Alleen zijn fenotype
c)
Zowel het genotype als het fenotype
d)
Geen van beide
24.

Bekijk de afbeelding. Dit is een voorbeeld van

a)

natuurlijke selectie

b)

kunstmatige selectie

c)

natuurlijke én kunstmatige selectie

25.

Het genotype ontstaat bij

a)

Meiose

b)

Bevruchting

c)

Mitose

d)

Geslachtsgemeenschap

26.

Waar is de soort Homo erectus oorspronkelijk ontstaan?

a)

Afrika

b)

Azië

c)

Europa

d)

Amerika

27.

Welk argument van evolutie kan je hier aanhalen?

a)

Vergelijkende embryologie

b)

Vergelijkende anatomie

c)

Paleontologie

d)

Voorkomen van rudimentaire organen

28.

Archaeopteryx is een belangrijke overgangsvorm tussen ...

a)

Zoogdieren en vogels

b)

Reptielen en vogels

c)

Zoogdieren en reptielen

29.

In diepere gesteentelagen vindt men complexere organismen terug.

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

Hoeveel procent van ons DNA is gemeenschappelijk met het DNA van een chimpansee?

a)

80%

b)

99,9%

c)

98%

d)

10%

31.

Wat is 'survival of the fittest'?

a)

De soort die zich het beste kan aanpassen overleeft.

b)

Fitnessprogramma.

c)

Een dieet.

d)

Boyband.

32.

Wat is de definitie van biotechnologie?

a)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om een product te maken of een probleem op te lossen

b)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om geld mee te verdienen

c)

Levende organismen genetisch modificeren

d)

Bacteriën gebruiken om een product te maken

33.

wat is een transgeen organisme?

a)

een organisme wat geen DNA heeft

b)

een organisme wat DNA heeft wat geen verandering heeft

c)

Een organisme wat een gen van een ander organisme heeft gekregen

d)

een organisme wat uit een ander land komt

34.

variatie in genotype ontstaat door

a)

mutaties en geslachtelijke voortplanting

b)

mutaties en evolutie

c)

evolutie en natuurlijke selectie

d)

natuurlijke selectie en geslachtelijke voortplanting

35.

welk dier heeft de grootste overlevingskans

a)

Een groene kikker in een sloot vol kroos

b)

Een konijn die geen wintervacht kan maken

c)

Een giraffe met een korte nek

d)

Een bruine kikker in een sloot vol kroos

36.

Waar leefde de eerste levensvormen

a)

Op het land

b)

In het water

c)

In de lucht

d)

In zuurstofrijk water

37.

Wat is evolutie?

a)

het veranderen van gedaante bij een organisme

b)

het ontstaan, veranderen en/of verdwijnen van soorten

c)

ontwikkeling die een organisme tijdens zijn leven doormaakt

d)

het groter worden van een populatie

38.

Door evolutie

a)

Past een populatie zich op de lange termijn aan op het milieu

b)

Kan een individu zich direct aanpassen aan het milieu

39.

Alle organisme delen één voorouder met elkaar

a)

juist

b)

onjuist

40.

Door klimaatverandering (vroeger en nu) zijn er diersoorten uitgestorven.

a)

juist

b)

onjuist

41.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de gibbons

d)

aan de chimpansees

42.

Wat is een fossiel?

a)

Een overleden dier

b)

Een afdruk van een plant of dier in gesteente

c)

Stenenresten van een oud gebergte

43.

Welke bewering is niet waar?

a)

Hoe verder het eiland van het vaste land hoe meer diersoorten er voor komen.

b)

Hoe groter het eiland hoe meer diersoorten er voor komen.

c)

immigratie op een eiland betekend dat dieren zich vestigen op een eiland.

d)

Wanneer er meer soorten op het eiland zijn zullen er ook meer soorten uitsterven.

44.

Wat is de goede definitie van het begrip soort?

a)

Dieren van hetzelfde soort kunnen onderling voortplanten

b)

Dieren van hetzelfde soort kunnen onderling voortplanten en hierbij vruchtbare nakomelingen krijgen

45.
Katrien zegt: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten
Marion zegt: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geisoleerd raakt van een andere groep soortgenoten
Lees meer via http://biologiepagina.nl/2en3/Erfelijkheidevolutie/Oefentoets/erfelijkheidevolutie.htm#JTeBOql0E1q229uS.99
a)
beiden hebben gelijk
b)
beiden hebben ongelijk
c)
Alleen Katrien heeft gelijk
d)
Alleen Marion heeft gelijk
46.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

47.

In welk opzicht was de homo erectus anders ten opzichte van zijn voorouders?

a)

het waren jagers

b)

ze werkten met werktuigen

c)

hun hersenen waren groter

d)

ze waren kleiner

48.

Wordt een mutatie altijd doorgegeven aan de volgende generatie

a)

ja

b)

nee

49.

Wanneer vind er een mutatie plaats?

a)

Wanneer er een extra stukje DNA aan toegevoegd wordt.

b)

Als de omgeving van een organisme verandert.

c)

Als er kortstondig een verandering nodig is om te kunnen overleven.

d)

Wanneer er een stukje DNA verkeerd wordt gekopieerd.