NEW
Font size
Worksheetsformatieve toets grammatica 1hv4
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
De tijdproef helpt je bij het vinden van het voltooid deelwoord. Juist of onjuist?
juist
onjuist
De getalproef helpt je bij het vinden van de persoonsvorm. Juist of onjuist?
juist
onjuist
De persoonsvorm vormt altijd in z'n eentje het hele werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?
juist
onjuist
De infinitief hoort niet bij het werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?
juist
onjuist
Voor de persoonsvorm kan altijd maar één zinsdeel staan. Juist of onjuist?
juist
onjuist
Het onderwerp vind je door te vragen: wie of wat + werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?
juist
onjuist
Het lijdend voorwerp vind je door te vragen: aan wie of voor wie + onderwerp + werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?
juist
onjuist
Wat is het onderwerp in de volgende zin? Op zonnige zaterdagochtenden gingen mijn broer en ik surfen in Katwijk aan zee.
mijn broer
ik
mijn broer en ik
surfen
Wat is het onderwerp in de volgende zin? De poezen van mijn lerares lagen te slapen op haar bureau.
De poezen
mijn lerares
slapen
De poezen van mijn lerares
Wat is het onderwerp in de volgende zin? Op vrijdagmiddag neem ik altijd een portie kibbeling voor mijn buurvrouw mee.
een portie kibbeling
ik
mijn buurvrouw
een portie kibbeling voor mijn buurvrouw
Staat er een lijdend voorwerp in de volgende zin? Jullie herinneren je niets.
ja
nee
Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?
Aan hem moeten zij die dingen nooit vragen.
die dingen
zij
aan hem
vragen
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin? Jullie herinneren je niets.
Jullie
herinneren
je
niets
Is het onderstreepte gedeelte in de volgende zin één zinsdeel? De wanten, mutsen, sjaals en dikke winterjassen zijn op dit moment uitverkocht.
ja
nee
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen?
Op zondag gingen mijn vrienden en ik bordspelletjes spelen.
lidwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De jassen en de dikke sjaals zijn uitverkocht.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsel
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De winterjassen en de dikke sjaals zijn op dit moment uitverkocht.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen?
Jip en Janneke spelen in de tuin.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
persoonsvorm
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Op vrijdagmiddag neem ik altijd een portie frietjes mee voor mijn buurjongetje.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? In de herfst zijn wij naar museum Naturalis gegaan.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Aan hem moeten zij die dingen nooit vragen.
hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De hondjes van mijn oma lagen te slapen in hun mand.
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Gisteren gaf ik mijn moeder een cadeau.
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Op de markt kocht ik een kilo drop.
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
onderwerp
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Gisteren gaf ik mijn moeder een cadeau.
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Mijn zus en ik eten graag in een restaurant.
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Om acht uur vertrekken we met de bus naar Antwerpen.
onderwerp
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? De vakantiefoto's hangen aan de muur in mijn kamer.
bijwoordelijke bepaling
meewerkend voorwerp
hulp werkwoord
lijdend voorwerp
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Ik heb bij de online boekhandel een prachtig boek gekocht.
onderwerp
lijdend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
meewerkend voorwerp
Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Ik heb de toets goed gemaakt.
persoonsvorm
werkwoordelijk gezegde
infinitief
zelfstandig werkwoord
