wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

formatieve toets grammatica 1hv4

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

De tijdproef helpt je bij het vinden van het voltooid deelwoord. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

2.

De getalproef helpt je bij het vinden van de persoonsvorm. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

3.

De persoonsvorm vormt altijd in z'n eentje het hele werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

4.

De infinitief hoort niet bij het werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

5.

Voor de persoonsvorm kan altijd maar één zinsdeel staan. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

6.

Het onderwerp vind je door te vragen: wie of wat + werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

7.

Het lijdend voorwerp vind je door te vragen: aan wie of voor wie + onderwerp + werkwoordelijk gezegde. Juist of onjuist?

a)

juist

b)

onjuist

8.

Wat is het onderwerp in de volgende zin? Op zonnige zaterdagochtenden gingen mijn broer en ik surfen in Katwijk aan zee.

a)

mijn broer

b)

ik

c)

mijn broer en ik

d)

surfen

9.

Wat is het onderwerp in de volgende zin? De poezen van mijn lerares lagen te slapen op haar bureau.

a)

De poezen

b)

mijn lerares

c)

slapen

d)

De poezen van mijn lerares

10.

Wat is het onderwerp in de volgende zin? Op vrijdagmiddag neem ik altijd een portie kibbeling voor mijn buurvrouw mee.

a)

een portie kibbeling

b)

ik

c)

mijn buurvrouw

d)

een portie kibbeling voor mijn buurvrouw

11.

Staat er een lijdend voorwerp in de volgende zin? Jullie herinneren je niets.

a)

ja

b)

nee

12.

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?

Aan hem moeten zij die dingen nooit vragen.

a)

die dingen

b)

zij

c)

aan hem

d)

vragen

13.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin? Jullie herinneren je niets.

a)

Jullie

b)

herinneren

c)

je

d)

niets

14.

Is het onderstreepte gedeelte in de volgende zin één zinsdeel? De wanten, mutsen, sjaals en dikke winterjassen zijn op dit moment uitverkocht.

a)

ja

b)

nee

15.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen?

Op zondag gingen mijn vrienden en ik bordspelletjes spelen.

a)

lidwoord

b)

voorzetsel

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

persoonlijk voornaamwoord

16.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De jassen en de dikke sjaals zijn uitverkocht.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

17.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De winterjassen en de dikke sjaals zijn op dit moment uitverkocht.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

hulpwerkwoord

18.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen?

Jip en Janneke spelen in de tuin.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

persoonsvorm

19.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Op vrijdagmiddag neem ik altijd een portie frietjes mee voor mijn buurjongetje.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

20.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? In de herfst zijn wij naar museum Naturalis gegaan.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

21.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Aan hem moeten zij die dingen nooit vragen.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

22.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? De hondjes van mijn oma lagen te slapen in hun mand.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

23.

Hoe moeten we het onderstreepte woord benoemen? Gisteren gaf ik mijn moeder een cadeau.

a)

zelfstandig werkwoord

b)

hulpwerkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

24.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Op de markt kocht ik een kilo drop.

a)

lijdend voorwerp

b)

meewerkend voorwerp

c)

bijwoordelijke bepaling

d)

onderwerp

25.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Gisteren gaf ik mijn moeder een cadeau.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

26.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Mijn zus en ik eten graag in een restaurant.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

27.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Om acht uur vertrekken we met de bus naar Antwerpen.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

28.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? De vakantiefoto's hangen aan de muur in mijn kamer.

a)

bijwoordelijke bepaling

b)

meewerkend voorwerp

c)

hulp werkwoord

d)

lijdend voorwerp

29.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Ik heb bij de online boekhandel een prachtig boek gekocht.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

bijwoordelijke bepaling

d)

meewerkend voorwerp

30.

Hoe moeten we het onderstreepte zinsdeel benoemen? Ik heb de toets goed gemaakt.

a)

persoonsvorm

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

infinitief

d)

zelfstandig werkwoord