wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1C oefenen H4

Total questions: 20

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Ik koop een bal.
a)
Ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
2.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Hij koopt die auto.
a)
Hij
b)
koopt
c)
die
d)
auto
3.
Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin:
Zij knuffelt haar hond
a)
Zij
b)
knuffelt
c)
haar
d)
hond
4.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin:
De hond eet veel te veel.
a)
veel
b)
de
c)
hond
d)
te
5.
Wat is het zelfstandig naamwoord in de zin: 
's Avonds leest mijn moeder me voor.
a)
leest
b)
mijn
c)
voor
d)
moeder
6.

Wat voor soort tekst hoort bij het tekstdoel activeren?

a)

nieuwsbericht

b)

reclame

c)

strip

d)

recept

7.

Welk tekstdoel hoort bij een leesboek?

a)

informeren

b)

activeren

c)

amuseren

d)

overhalen

8.

Als je zoekend leest, dan kijk je naar

a)

de plaatjes

b)

schema's, grafieken, tabellen

c)

opvallende woorden

d)

alle drie de antwoorden zijn juist

9.

Wat betekent het woord aangepast?

a)

omgekeerd

b)

het gebrek

c)

het dal

d)

geschikt gemaakt

10.

Wat betekent het woord horizontaal?

a)

van links naar rechts

b)

van onder naar boven

c)

van schuin naar boven naar schuin beneden

d)

geen van deze drie is juist

11.

Wat betekent het woord de vallei?

a)

loodrecht

b)

het dal

c)

de beperking

d)

iets

12.

Wat betekent het woord turen?

a)

aandachtig kijken

b)

kleiner worden

c)

niet bewegen

d)

beslist

13.

Wat betekent het woord explosieve sport?

(a)  

14.

Wat betekent het woord silhouet?

a)

beslist

b)

schriftelijk

c)

schaduwbeeld

d)

zacht geluid

15.

Benoem de drie lidwoorden.

(a)  

16.

De modder stroomt over de weg.

Wat is in deze zin het werkwoord?

a)

de

b)

modder

c)

stroomt

d)

over

17.

Hij heeft een koptelefoon op.

Wat is in de bovenstaande zin het werkwoord?

a)

koptelefoon

b)

heeft

c)

op

d)

hij

18.

De verleden tijd van breien is:

a)

breide

b)

breidde

c)

bree

d)

breed

19.

De verleden tijd van sporten is:

a)

sporttten

b)

spoorten

c)

sporten

d)

sportten

20.

Wat is het meervoud van het woord hobby?

(a)