wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1A herhalen H4 Lezen Woorden Spelling

Total questions: 42

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
2.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

3.

Dit is een.. (meerdere antwoorden mogelijk!)

a)

instruerende tekst.

b)

informerende tekst.

c)

een nieuwsbericht.

d)

een flyer.

4.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

5.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

6.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Tijdsvolgorde

7.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

8.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

9.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

10.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

eerst

c)

maar

d)

doordat

11.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

bovendien

b)

echter

c)

als laatste

d)

vervolgens

12.

Verleden tijd


Gisteren (plukken) ............. ik de appels.

a)

plokte

b)

plukde

c)

pluktte

d)

plukte

13.

Verleden tijd


Toen (ontpitten) .......... ik ze vakkundig.

a)

ontpite

b)

ontpitte

c)

ontpitten

d)

ontpit

14.

Verleden tijd


De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

15.

Verleden tijd


Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.

a)

haasten

b)

haastten

c)

haastte

d)

haaste

16.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

17.

Verleden tijd


Het meisje (beantwoorden) ... die vraag ontzetten snel.

a)

beantwoorden

b)

beantwoordden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

18.

(missen)

Ik ........ mijn trein en kwam te laat

a)

mistte

b)

miste

c)

misde

d)

mis

19.

(tennissen)

Waar ...... het duo dit weekend?

a)

tenniste

b)

teniste

c)

tennisde

d)

Tenniste

20.
Welke trap is goed?
a)
leuk-leukst-leuker
b)
leuk-leuker-leukst
21.
Welke trap is goed?
a)
mooi-mooier-mooiste
b)
mooi-mooier-mooist
22.
Welke trap is goed?
a)
goed-beter-best
b)
goed-goeder-goedst
23.
Welke trap is goed?
a)
lief-liever-liefst
b)
lief-liefer-liefst
24.
Welke trap is goed?
a)
veel-meer-meest
b)
veel-veler-veelst
25.
Welke trap is goed?
a)
weinig-minder-minst
b)
weinig-weiniger-weinigst
26.

Vul in: sportief-...……-sportiefst

(a)  

27.

Vul in: …….. - beter - best

(a)  

28.

vul in: raar-...…….- raarst

(a)  

29.

Er werd twee keer zoveel verkocht ..... vorig jaar.

a)

als

b)

dan

30.

De nieuwe spits scoort meer ..... men van hem verwachtte.

a)

als

b)

dan

31.

Hij weet dat beter ..... ik.

a)

als

b)

dan

32.

Dat nieuwe lokaal heeft dezelfde afmetingen ..... de oude lokalen.

a)

als

b)

dan

33.

Hij is net zo leuk ..... jij.

a)

als

b)

dan

34.

In talen is hij veel beter ..... zijn broer.

a)

als

b)

dan

35.

Deze soap is niet zo leuk ..... ik verwacht had.

a)

als

b)

dan

36.

Ik ken zijn broer beter ..... zijn zus.

a)

als

b)

dan

37.

Wat betekent het woord 'concentreren'?

(a)  

38.

Wat betekent 'de obsessie'?

(a)  

39.

Wat betekent 'investeren in'?

(a)  

40.

Welk woord hoort bij de volgende omschrijving:

behoorlijk, flink, goed

(a)  

41.

Welk woord hoort bij de volgende omschrijving:

onzichtbaar maken

(a)  

42.

Welk woord hoort bij de volgende omschrijving:

neerzetten om te laten zien

(a)