wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Literatuurgeschiedenis periode 3

Total questions: 49

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Romantici wilden vluchten van het hier en nu.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Wat is Weltschmerz?

a)

Wereldvrede

b)

Lijden aan de wereld

c)

Een verlangen naar andere oorden

d)

Exoticisme

3.

Wat houdt het naturalisme in?

a)

Een stroming waarin men probeerde de werkelijkheid zo realistisch mogelijk te beschrijven.

b)

Een stroming waarin men probeerde te verklaren dat de mens een product was van erfelijkheid en milieu.

c)

Een stroming waarin men de lezer zoveel mogelijk wilde leren over de natuur.

d)

Een stroming waarin men de nadruk legde op heftige en soms tegenstrijdige gevoelens.

4.

Welke term past niet bij 'Modernisme'?

a)

Bewustzijnsstroom

b)

Twijfel

c)

Associatie

d)

Zekerheid

5.

Bewustzijnsstroom houdt in:

a)

De stroom van gewonden na de Eerste Wereldoorlog (vanuit de loopgraven)

b)

De stroom van werklozen, na de beurskrach van 1929

c)

De stroom van indrukken op een expressionistisch schilderij

d)

De stroom van warrige gedachten van een romanpersonage

6.

Wat is de juiste omschrijving van het begrip Verlichting?

a)

Een nieuwe uitvinding in de 18e eeuw waarbij mensen niet meer kaarsen als verlichting hoefden te gebruiken, maar nu lampen konden gebruiken.

b)

Denkstroming in de 18e eeuw die het gebruiken van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

c)

Denkstroming in de 19e eeuw die het gebruiken van van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

d)

Denkstroming waarbij mensen op een bepaalde manier gingen denken dat ze zich erg verlicht voelden.

7.

Wat wordt er bedoeld met ratio?

a)

Een nieuwe uitvinding uit de 18e eeuw

b)

De rede (gezond) verstand

c)

Dat is een ander woord voor Renaissance

d)

Dat mensen niet voor zichzelf dachten

8.

Welk kenmerk past NIET bij de Verlichting?

a)

Geleerden gaan er vanuit dat mensen kunnen groeien en kunnen leren

b)

Geleerden vinden dat kerkleiders de mensen dom en onwetend houden

c)

Er werden vragen gesteld over de manier waarop de samenleving werd bestuurd

d)

Mensen volgen de adviezen op van anderen en denken niet voor zichzelf

9.

Waarom zijn spectatoriale tijdschriften typerend voor de verlichting?

a)

Mensen in koffiehuizen wilden niet altijd romans lezen. dus tijdschriften waren een welkome afwisseling.

b)

In spectatoriale tijdschriften werden Verlichtingsidealen besproken en beschreven.

c)

Spectatoriale tijdschriften stonden intellectueel op de koffietafel.

d)

Rousseau en Voltaire schreven graag stukjes voor spectatoriale tijdschriften.

10.

Welke drie tegenstellingen waren kenmerkend voor de verlichting?

a)

Vervalsdenken versus optimisme

b)

Verstand versus gevoel

c)

Opvoeders versus opinievormers

d)

Radicaal versus gematigd

e)

Zedenromans versus briefromans

11.

Waarom besteedde men aandacht aan kinderliteratuur in de verlichting?

a)

Omdat kinderen neigen tot bijgeloof: dat moest vroeg aangepakt worden. Als mensen bevrijd waren van bijgeloof, konden ze goed zijn.

b)

Omdat men ontdekte dat kinderen sneller leren dan volwassenen. Nieuwe wetenschappelijke inzichten leidden tot een verandering in ideeën over opvoeding.

c)

Omdat ieder mens goed kan zijn door zijn verstand te gebruiken. Het opvoeden tot een goed mens begint in de jeugd.

d)

Omdat kinderen van nature slecht zijn, moesten ze vroegtijdig worden bijgestuurd.

12.

Wat houdt poëtische gerechtigheid in?

a)

Dat de deugd beloond wordt en de ondeugd gestraft.

b)

Dat slechte dichters een gevangenisstraf of een boete krijgen.

c)

Dat de rechter het vonnis uitspreekt in dichtvorm.

d)

Dat publiek dat door een toneelstuk heen praat niet meer naar de schouwburg mag.

13.

Van wie kwam de leus l'art pour l'art?

a)

De romantici

b)

De Tachtigers

c)

De naturalisten

d)

De realisten

14.

Wat betekent engagement?

a)

Kunstenaars houden zich voornamelijk bezig met de natuur.

b)

Kunstenaars die bij de maatschappij betrokken zijn, nemen een standpunt in.

c)

Kunstenaars creëerden zo realistisch mogelijke werken.

d)

Kunstenaars gebruikten kunst alleen maar om hun gevoelens te uiten.

15.

Wat betekent Renaissance?

a)

Opleving

b)

Herleving

c)

Vernieuwing

d)

Wedergeboorte

16.

Sehnsucht is het romantische verlangen naar het onbereikbare geluk.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Wat is geen kenmerk van de romantiek?

a)

escapisme

b)

fatalisme

c)

weltschmerz

d)

individualisme

18.

Welke stroming kun je koppelen aan Piet Paaltjens?

a)

romantiek

b)

impressionisme

c)

realisme

d)

naturalisme

19.

Juist of onjuist? Romantische werken zijn somber en bevatten nooit humor.

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Wat is geen kenmerk van het naturalisme?

a)

determinisme

b)

fatalisme

c)

nerveuze, labiele hoofdpersoon

d)

gevoelsleven centraal

21.

Het modernisme was een breuk met ...

a)

de romantiek

b)

het realisme

c)

het naturalisme

d)

de verlichting

22.

Wat is geen kenmerk van het modernisme?

a)

nadruk op beleving van het personage

b)

weergeven van de bewustzijnsstroom

c)

twijfel over de werkelijkheid en taal

d)

intertekstualiteit

23.

Bij de stream of consciousness volg je de gedachten van ... .

a)

de schrijver

b)

de lezer

c)

het personage

24.
Een bohemien is 
a)
een artistiek figuur
b)
een zwerver
c)
iemand uit Bohemen
d)
een zigeuner
25.
De romantische droefgeestigheid
a)
zwarte romantiek
b)
gothic 
c)
Weltschmerz
d)
Sehnsucht
26.
Zowel de romantici als de realisten waren vaak revolutionairen.
a)
juist
b)
onjuist
27.
Classicisme en originaliteit zijn min of meer tegenovergestelde begrippen.
a)
juist
b)
onjuist
28.
De drie culturele stromingen van de 19e eeuw zijn Verlichting, Romantiek en realisme.
a)
juist
b)
onjuist
29.
Welke kenmerken heeft de romantiek?
a)
verlangen naar vroeger en aandacht voor gevoel en verstand
b)
hang naar dramatiek en afbeeldingen van gewone dingen
c)
terug naar de natuur en sehnsucht
d)
hang naar liefde en geluk
30.

Welk woord ontbreekt er? De romanticus was ... met zijn eigen tijd.

a)

ontevreden

b)

tevreden

31.

Tegenover het rationalisme van de Verlichting kun je het ...... van de Romantiek plaatsen.

a)

individualisme

b)

verbeeldingskracht

c)

gevoeligheid

d)

classicisme

32.

Renaissance houdt in

a)

dat men de periode voor 1500 meer ging waarderen dan de tijd waarin met zelf leefde

b)

dat men de tijd van de Grieken en Romeinen meer ging waarderen dan de middeleeuwen

c)

dat men niets meer zelf bedacht maar alles uit de Oudheid probeerde te imiteren

33.

De renaissance was vooral gericht op het imiteren en overtreffen van de ouden Grieken en Romeinen

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

34.

Een imaginair reisverhaal beschreef een reis in opdracht van de VOC.

a)

Dat is juist

b)

Dat is onjuist

35.

Wat is een parodie?

a)

Een grappig gedicht

b)

Een spottende nabootsing

c)

Een lollig toneelstuk

d)

Een komisch reisverhaal

36.
Welke uitspraak hoort bij de renaissance?
a)
Welschmerzt
b)
Carpe diem
c)
Pars pro toto
d)
Memento mori
37.
Welke periode komt er NA de renaissance?
a)
Middeleeuwen
b)
Verlichting
c)
Romantiek
d)
Sentimentalisme
38.
In de literatuur van de renaissance stonden drie termen centraal: translatio, imitatio en aemulatio. Bij welke vorm probeert de schrijver een klassiek werk te overtreffen?
a)
Translatio
b)
Imitatio
c)
Aemulatio
39.
Bij welke periode horen de spectatoriale tijdschriften?
a)
Middeleeuwen
b)
Renaissance
c)
Verlichting
d)
Romantiek
40.
In welke periode staat het gevoel centraal?
a)
Middeleeuwen
b)
Renaissance
c)
Verlichting
d)
Romantiek
41.
Welk van deze factoren wordt NIET gebruikt om het karakter van de mens in het naturalisme te verklaren?
a)
Het uiterlijk van het personage
b)
De tijd waarin hij leeft
c)
De eigenschappen die hij van zijn (voor)ouders heeft geërfd
d)
Het sociale milieu waarin hij opgroeit
42.

Drie belangrijke kenmerken van de literatuur in de renaissance zijn

a)

realisme, individualisme, classicisme

b)

raadselachtig, classicisme, didactisch

c)

estheticisme, individualisme, realisme

43.

De dichters van het historisch avant-garde veranderden vorm en inhoud. Welk gedicht hoort bij deze stroming?

a)
b)
c)
44.

Op welke manier kwam de oorlog terug in de poëzie?

a)

In de vorm: er komt een breuk met de poëzie van voor de oorlog

b)

In het taalgebruik: er worden nieuwe woorden verzonnen

c)

In het gevoel: de oorlog wordt niet expliciet beschreven

d)

In de lengte: de gedichten worden langer

45.

Wat betekent 'neo' in Neoromantiek?

a)

nieuw, nieuwe stroming Romantiek

b)

nee, geen romantiek meer

c)

opnieuw de Romantiek, zoals in de 19e eeuw

d)

nog, voortzetting van de Romantiek uit de 19e eeuw

46.

Hoe noemen we een zelfverzonnen woord?

a)

Archaïsme

b)

Neologisme

c)

Synoniem

d)

Placebo

47.

Welk uitgangspunt hoort niet bij de Tachtigers?

a)

Kunst moet ontroeren

b)

Inspiratie komt uit de middeleeuwen

c)

Vorm en inhoud zijn één

d)

L'art pour l'art

48.

Couperus was altijd overdreven netjes gekleed. Hoe noemen we zo iemand?

a)

Candy

b)

Nandy

c)

Handy

d)

Dandy

49.

Wat was een probleem van Willem Kloos?

a)

Verslaafd aan schrijven

b)

Verslaafd aan drugs

c)

Verslaafd aan alcohol

d)

Verslaafd aan rijmen