wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

biologie brugklas waarnemen

Total questions: 54

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
2.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
3.
Je neemt waar doordat je iets
a)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft
b)
eet, voelt, ruikt, ziet, hoort
c)
voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt
d)
doet
4.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
5.
Prikkels zijn: licht, geluid, geur, smaak, kou, warmte, tast en
a)
gevoel
b)
zweet
c)
aanraking
d)
tja.....
6.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
7.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
8.
Een impuls is een bericht met
a)
informatie
b)
nieuws
c)
geluid
d)
geen idee
9.
Een impuls gaat door je zenuwen naar
a)
je zintuigen
b)
je botten
c)
je spieren
d)
je hersenen
10.
Zenuwen zitten
a)
nergens in je lichaam
b)
overal in je lichaam
c)
ergens in je lichaam
d)
ergens buiten je lichaam
11.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet
12.
Zenuwen, ruggenmerg en hersenen vormen samen
a)
het skelet
b)
het orgaanstelsel
c)
het spierstelsel
d)
het zenuwstelsel
13.
Je neemt pas waar als de impulsen
a)
in je hersenen zijn aangekomen
b)
onderweg zijn naar je hersenen
c)
in je ruggenmerg zijn aangekomen
d)
in je spieren zijn aangekomen
14.
Na een waarneming kun je
a)
nadenken
b)
uitrusten
c)
niets doen
d)
reageren
15.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
16.
Je beslist hoe je reageert met
a)
je zintuigen
b)
je impuls
c)
je prikkel
d)
je hersenen
17.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
18.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
19.
Uit welk weefsel bestaat de lederhuid?
a)
Vet weefsel
b)
Eeltlaag
c)
Elastisch bindweefsel
20.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
21.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
22.
Welke nummer is haar
a)
1
b)
4
c)
7
d)
8
23.
nummer 2 is?
a)
haarvat
b)
bloedvat
24.
Welk nummer is de zweetklier
a)
6
b)
1
c)
14
d)
5
25.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
26.
Uit welk weefsel bestaat de lederhuid?
a)
Vet weefsel
b)
Eeltlaag
c)
Elastisch bindweefsel
27.
voor welke  smaken is je tong het gevoeligst?
a)
melk,boter,zoet,zout
b)
bitter,zoet,water,zout
c)
zoet,zuur,bitter,zout
d)
zoet,zuur,bitter,zout
28.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
29.
Welke nummers  hamer en aambeeld en stijgbeugel
a)
4, 5 en 10
b)
3, 4 en 5
c)
3, 4 en 6
d)
4 , 5 en 9
30.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
31.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
32.
Regelt de luchtdruk in de trommelvlies
a)
hamer en aambeeld
b)
buis van eustachius
c)
slakkenhuis
33.
Houden het trommelvlies soepel?
a)
oorgang
b)
oorschelp
c)
trommelvlies
d)
oorsmeerkliertjes
34.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
35.

met welk orgaan gebruik je jouw smaakzintuigen

a)

tanden

b)

neus

c)

tong

d)

ogen

36.

je zintuigen vangen elke (a)   uit je omgeving op en geven de informatie door aan de hersenen

37.

welke zintuig heeft je huid

a)

reukzintuigen

b)

lichtzintuigen

c)

tastzintuigen

d)

smaakzintuigen

38.

elk zintuig zet prikkels om in een....

a)

zenuw

b)

prikkel

c)

impuls

d)

elektrische signaal

39.

welke is fout!!!

a)

alles gaat eerst naar de hersenen

b)

in je huid zijn 3 zintuigen

c)

je hersenen kunnen niet tegen alles reageren

d)

plekken in je hersenen zijn verbonden met spieren

40.

Je neemt waar doordat je iets

a)

voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft

b)

eet, voelt, ruikt, ziet, hoort

c)

voelt, ruikt, ziet, hoort, proeft, hoopt

d)

doet

41.

Elk zintuig is gevoelig voor

a)

dezelfde prikkel

b)

geen prikkel

c)

veel prikkels

d)

een eigen prikkel

42.

Wat kun je met je zintuigen doen?

a)

informatie uit je omgeving zien

b)

informatie uit je omgeving waarnemen

c)

informatie uit je omgeving horen

43.

De tong, het orgaan met zintuigen voor ..

a)

geur

b)

smaak

c)

licht

d)

geluid

44.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
45.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
46.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
47.

In je huid zitten verschillende zintuigen. Welk zintuig heb je nodig om te merken dat iets koud is?

a)

Het kou zintuig

b)

Het warmte zintuig

c)

De temperatuurszintuig

48.

Waar of niet waar? De vorm die je ziet in een doorsnede van het ruggenmerg is een ovaal.

a)

Niet waar

b)

Waar

49.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

50.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

51.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

52.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

53.

wat betekent adequate prikkel

a)

dat het een prikkel is die opgepikt wordt door het juiste zintuig

b)

dat elke zintuigcel deze prikkel kan verwerken

54.

Als je een geur ruikt, kan deze alleen verwerkt worden door een

a)

warmte zintuigecel

b)

geurzintuigcel

c)

drukzintuigcel

d)

pijnzintuigcel