wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SO Dierenrijk 1 MAVO

Total questions: 59

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer is een dier tweezijdig symmetrisch?

a)
Als een dier in twee gelijke helften te verdelen is.
b)

Als een dier in meerdere gelijke helften te verdelen is.

c)

Als een dier op geen enkele manier in gelijke helften te verdelen is

d)

Als een dier in twee ongelijke helften te verdelen is

2.

Wanneer is een dier veelzijdig symmetrisch?

a)
Als een dier in twee gelijke helften te verdelen is.
b)

Als een dier in meerdere gelijke helften te verdelen is.

c)

Als een dier op geen enkele manier in gelijke helften te verdelen is

d)

Als een dier in twee ongelijke helften te verdelen is

3.

Wanneer is een dier niet-symmetrisch?

a)
Als een dier in twee gelijke helften te verdelen is.
b)

Als een dier in meerdere gelijke helften te verdelen is.

c)

Als een dier op geen enkele manier in gelijke helften te verdelen is

d)

Als een dier in twee ongelijke helften te verdelen is

4.

Wanneer spreken we van een inwendig skelet?

a)

als een skelet binnen in het lichaam zit

b)

als een skelet aan de buitenkant van het lichaam zit

c)

als er geen skelet aanwezig is

5.

Wanneer spreken we van een uitwendig skelet?

a)

als een skelet binnen in het lichaam zit

b)

als een skelet aan de buitenkant van het lichaam zit

c)

als er geen skelet aanwezig is

6.

Welk dier heeft een inwendig skelet?

a)

een kwal

b)

een regenworm

c)

een kreeft

d)

een vis

7.

Welk dier heeft een uitwendig skelet?

a)

zee-anemoon

b)

zeester

c)

lieveheersbeestje

d)

regenworm

8.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

9.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

10.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

11.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

12.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

13.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

14.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

15.

Is het dier op de afbeelding symmetrisch?

Zo ja, op welke manier?

a)

nee, hij is niet symmetrisch

b)

ja, hij is tweezijdig symmetrisch

c)

ja, hij is veelzijdig symmetrisch

16.

Heeft het dier op de afbeelding een skelet?

Zo ja, wat voor skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

17.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

18.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

19.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

20.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

21.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

22.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

23.

Heeft het afgebeelde dier een skelet?

Zo ja, wat voor soort skelet?

a)

nee, hij heeft geen skelet

b)

ja, hij heeft een inwendig skelet

c)

ja, hij heeft een uitwendig skelet

24.

Welke van de onderstaande dieren is een voorbeeld van een geleedpotige?

a)

een zeester

b)

een duizendpoot

c)

een inktvis

d)

een kwal

25.

Welke van de onderstaande dieren is een voorbeeld van een gewervelde?

a)

een kreeft

b)

een adder (=slang)

c)

een zee-anemoon

d)

een spons

26.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de geleedpotigen

b)

tot de stekelhuidigen

c)

tot de gewervelden

d)

tot de weekdieren

27.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de geleedpotigen

b)

tot de stekelhuidigen

c)

tot de gewervelden

d)

tot de weekdieren

28.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de geleedpotigen

b)

tot de stekelhuidigen

c)

tot de gewervelden

d)

tot de weekdieren

29.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de geleedpotigen

b)

tot de gewervelden

c)

tot de wormen

d)

tot de weekdieren

30.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de geleedpotigen

b)

tot de gewervelden

c)

tot de wormen

d)

tot de weekdieren

31.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de eencelligen

b)

tot de gewervelden

c)

tot de sponzen

d)

tot de holtedieren

32.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de eencelligen

b)

tot de gewervelden

c)

tot de sponzen

d)

tot de holtedieren

33.

Tot welke afdeling van het dierenrijk behoort het dier op de afbeelding?

a)

tot de eencelligen

b)

tot de gewervelden

c)

tot de sponzen

d)

tot de holtedieren

34.

Wanneer noemen we een dier koudbloedig?

a)

als een dier het altijd koud heeft

b)

als de lichaamstemperatuur van het dier hetzelfde is als de temperatuur van zijn omgeving

c)

als zijn lichaamstemperatuur altijd even laag is

d)

als het dier in een koude omgeving woont

35.

Wanneer noemen we een dier warmbloedig?

a)

als het dier het altijd warm heeft

b)

als het dier in een warme omgeving woont

c)

als het dier altijd dezelfde lichaamstemperatuur heeft

d)

als de lichaamstemperatuur van het dier niet constant is

36.

Wat betekent " levendbarend zijn"?

a)

dat je eieren legt om te voort te planten

b)

dat je bevalt van je jong, net zoals bij mensen

c)

dat je jongen uit een ei komen

d)

dat je tijdens je leven een baard krijgt

37.

We kunnen de gewervelden dieren onderverdelen in 5 verschillende groepen. Tot welke van deze groepen behoort een kikker?

a)

tot de vissen

b)

tot de reptielen

c)

tot de zoogdieren

d)

tot de amfibieën

38.

We kunnen de gewervelden dieren onderverdelen in 5 verschillende groepen. Tot welke groep behoort een zeepaardje?

a)

tot de amfibieën

b)

tot de reptielen

c)

tot de zoogdieren

d)

tot de vissen

39.

Welke gewervelde dieren hebben alleen longen voor hun ademhaling?

a)

vissen

b)

vogels

c)

amfibieën

40.

Welke gewervelde dieren kunnen leven op het land en in het water

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

vogels

d)

zoogdieren

41.

Welk gewerveld dier haalt alleen adem met zijn kieuwen?

a)

reptielen

b)

vissen

c)

amfibieën

42.

Welk gewerveld dier legt eieren zonder schaal om zich voort te planten?

a)

vissen

b)

reptielen

c)

vogels

d)

zoogdieren

43.

Welk gewerveld dier plant zich levendbarend voort?

a)

een vis

b)

een reptiel

c)

een zoogdier

d)

een amfibie

44.

Hoe haalt het dier op de afbeelding adem?

a)

met zijn kieuwen

b)

met zijn longen

c)

met zijn huid

45.

Hoe plant het dier op de afbeelding zich voort?

a)

hij legt eieren zonder schaal

b)

hij legt eieren met een leerachtige schaal

c)

hij legt eieren met een kalkschaal

d)

hij is levendbarend

46.

Hoe plant het dier van de afbeelding zich voort?

a)

hij legt eieren zonder schaal

b)

hij legt eieren met een leerachtige schaal

c)

hij legt eieren met een kalkschaal

d)

hij is levendbarend

47.

Hoe haalt het dier van de afbeelding adem?

a)

met zijn kieuwen

b)

met zijn huid

c)

met zijn longen

48.

In welke omgeving leeft deze salamander?

a)

in het water

b)

op het land

c)

in het water en op het land

49.

Waarmee is de huid van dit dier bedekt?

a)

met schubben

b)

met slijm

c)

met haren

d)

met veren

50.

Waarmee is de huid van dit dier bedekt?

a)

met schubben

b)

met haren

c)

met slijm

d)

met veren

51.

Tot welke groep van de gewervelden behoort dit dier?

a)

tot de vissen

b)

tot de vogels

c)

tot de zoogdieren

d)

tot de reptielen

52.

Hoe plant het dier van de afbeelding zich voort?

a)

met eieren zonder schaal

b)

met eieren met een kalkschaal

c)

met eieren met een leerachtige schaal

d)

hij is levendbarend

53.

Hoe haalt het dier op de afbeelding adem?

a)

met zijn kieuwen

b)

met zijn huid

c)

met zijn longen

54.

Hoe haalt het dier op de afbeelding adem?

a)

met zijn kieuwen

b)

met zijn huid

c)

met zijn longen

55.

Is het dier op de afbeelding warmbloedig of koudbloedig?

a)

warmbloedig

b)

koudbloedig

56.

Is het dier op de afbeelding warmbloedig of koudbloedig?

a)

warmbloedig

b)

koudbloedig

57.

Is het dier op de afbeelding warmbloedig of koudbloedig?

a)

warmbloedig

b)

koudbloedig

58.

Een snoek en een tonijn zijn voorbeelden van ...

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

59.

Een leguaan en een dinosaurus zijn voorbeelden van ....

a)

zoogdieren

b)

amfibieën

c)

reptielen