NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsK6 helemaal
Total questions: 55
Worksheet time: 28mins
Name
Class
Date
1.
Een plant met dikke bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
2.
Een plant met stekels in plaats van bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
3.
Een plant met stekels in plaats van bladeren:
a)
bewaart water in de stengel
b)
bewaart water in de wortels
c)
bewaart geen water
4.
Een plant met dikke bladeren:
a)
kan veel water opslaan
b)
kan meer fotosynthese doen
c)
kan minder water opslaan
5.
Een plant met een slappe stengel is meestal
a)
een landplant
b)
een waterplant
6.
Een plant met een stevige stengel is meestal
a)
een landplant
b)
een waterplant
7.
Een plant in droge gebieden heeft meestal
a)
weinig huidmondjes, weinig verdamping
b)
veel huidmondjes, weinig verdamping
c)
weinig huidmondjes, veel verdamping
d)
veel huidmondjes, veel verdamping
8.
Een plant in vochtige gebieden heeft meestal
a)
weinig huidmondjes, weinig verdamping
b)
veel huidmondjes, weinig verdamping
c)
weinig huidmondjes, veel verdamping
d)
veel huidmondjes, veel verdamping
9.
Een plant in vochtige gebieden heeft meestal
a)
weinig huidmondjes
b)
veel huidmondjes
10.
Planten hebben bloemen voor
a)
geslachtelijke voortplanting
b)
ongeslachtelijke voortplanting
c)
de sier
11.
Een insectenbloem heeft in verhouding
a)
grote gekleurde kroonbaden
b)
grote groene kroonbladen
c)
kleine groene kroonbladen
d)
kleine gekleurde kroonbladen
12.
Een windbloem heeft in verhouding
a)
grote gekleurde kroonbaden
b)
grote groene kroonbladen
c)
kleine groene kroonbladen
d)
kleine gekleurde kroonbladen
13.
Een insectenbloem heeft in verhouding
a)
lange meeldraden
b)
korte meeldraden
14.
Een insectenbloem heeft meestal
a)
geen geur
b)
wel geur
15.
Een insectenbloem maakt
a)
geen nectar
b)
wel nectar
16.
Een windbloem maakt
a)
geen nectar
b)
wel nectar
17.
Een insectenbloem heeft in verhouding
a)
licht stuifmeel
b)
plakkerig stuifmeel
18.
Een windbloem maakt in verhouding
a)
veel stuifmeel
b)
weinig stuifmeel
19.
Een windbloem heeft in verhouding
a)
lange meeldraden
b)
korte meeldraden
20.
Een windbloem heeft in verhouding
a)
lange stamper(s)
b)
korte stamper(s)
21.
Een windbloem heeft in verhouding
a)
licht stuifmeel
b)
plakkerig stuifmeel
22.
Een ui is een voorbeeld van
a)
een bol
b)
een knol
c)
een wortelstok
d)
een uitloper
23.
Een radijsje is een voorbeeld van
a)
een bol
b)
een knol
c)
een wortelstok
d)
een uitloper
24.
Een vroege zegge (afbeelding) is een voorbeeld van
a)
een bol
b)
een knol
c)
een wortelstok
d)
een uitloper
25.
Een aardbeiplant is een voorbeeld van
a)
een bol
b)
een knol
c)
een wortelstok
d)
een uitloper
26.
De houtvaten in de plant vervoeren stoffen
a)
van de wortels naar boven
b)
van de bladeren naar beneden
c)
allebei kanten
27.
De houtvaten in de plant vervoeren
a)
water en zouten
b)
glucose
c)
beide
28.
De bastvaten in de plant vervoeren stoffen
a)
van de wortels naar boven
b)
van de bladeren naar beneden
c)
allebei kanten
29.
De bastvaten in de plant vervoeren
a)
water en zouten
b)
glucose
c)
beide
30.
Als ik dit eet, eet ik een
a)
blad
b)
stengel
c)
bloem
d)
wortel
31.
Als ik dit eet, eet ik een
a)
blad
b)
stengel
c)
bloem
d)
wortel
32.
Als ik dit eet, eet ik een
a)
blad
b)
stengel
c)
bloem
d)
wortel
33.
Als ik dit eet, eet ik een
a)
blad
b)
stengel
c)
bloem
d)
wortel
34.
De wortels van de plant zorgen voor
a)
lokken van insecten
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
35.
De stengel van de plant zorgt voor
a)
stevigheid
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
36.
De stengel van de plant zorgt voor
a)
transport van stoffen
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
37.
De huidmondjes in het blad van de plant zorgen voor
a)
opname van CO2
b)
opname O2
c)
afgifte van CO2
d)
opname van H2O
38.
De huidmondjes in het blad van de plant zorgen overdag voor
a)
verdamping van H2O
b)
opname O2
c)
afgifte van CO2
d)
opname van H2O
39.
De huidmondjes in het blad van de plant zorgen overdag voor
a)
afgifte van O2
b)
opname O2
c)
afgifte van CO2
d)
opname van H2O
40.
De bladeren van de plant zorgen voor
a)
stevigheid
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
41.
De bloemen van de plant zorgen voor
a)
stevigheid
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
42.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn planten
a)
producenten
b)
consumenten
c)
reducenten
43.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn dieren
a)
producenten
b)
consumenten
c)
reducenten
44.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn bacteriën en schimmels
a)
producenten
b)
consumenten
c)
reducenten
45.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn planteneters
a)
herbivoren
b)
carnivoren
c)
omnivoren
46.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn vleeseters
a)
herbivoren
b)
carnivoren
c)
omnivoren
47.
In voedselketens en voedselkringlopen zijn alleseters
a)
herbivoren
b)
carnivoren
c)
omnivoren
48.
De pijl in een voedselketen betekent:
a)
wordt gegeten door..
b)
eet .... op
49.
De mol in deze voedselketen is
a)
een carnivoor
b)
een herbivoor
c)
een omnivoor
50.
De worm in deze voedselketen is
a)
een carnivoor
b)
een herbivoor
c)
een omnivoor
51.
In deze afbeelding zie je een
a)
voedselketen
b)
voedselweb (geen reducenten)
c)
voedselkringloop (geen reducenten)
d)
voedselkringloop (wel reducenten)
52.
Eén organisme alleen noemen we een:
a)
individu
b)
populatie
c)
levensgemeenschap
d)
ecosysteem
53.
Een aantal organismen van dezelfde soort noemen we een:
a)
individu
b)
populatie
c)
levensgemeenschap
d)
ecosysteem
54.
Een aantal populaties in één gebied noemen we een:
a)
individu
b)
populatie
c)
levensgemeenschap
d)
ecosysteem
55.
Een aantal populaties samen met de biotoop in één gebied noemen we een:
a)
individu
b)
populatie
c)
levensgemeenschap
d)
ecosysteem
Reset
