wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

hart- en bloedvatenstelsel

Total questions: 57

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Waar is het hart gelegen, omschrijf nauwkeurig

a)

in de borstkas

b)

tussen de longen

c)

achter de longen

d)

achter het borstbeen

2.

Het hart heeft de vorm van

a)

een driehoek, basis naar boven, punt naar beneden

b)

een driehoek, basis naar beneden, punt naar boven

c)

een dubbele boon, rechte naar boven, gebogen naar beneden

d)

een dubbele boon, rechte naar beneden, gebogen naar boven

3.

Het hart wordt verdeeld in

a)

4 kamers

b)

4 voorkamers

c)

2 voorkamers, 2 kamers

d)

3 voorkamers, 1 kamer

4.

De voorkamers en de kamers worden van elkaar gescheiden door

a)

deuren

b)

kleppen

c)

vliezen

5.

De klep die de rechter voorkamer van de rechter kamer scheidt is de

a)

triscuspidaalklep

b)

mitraalklep

6.

De klep die de linker voorkamer van de linker kamer scheidt is de

a)

tricuspidaalklep

b)

mitraalklep

7.

Wat zijn synoniemen (wil hetzelfde zeggen)

a)

boezem en atrium

b)

boezem en kamer

c)

boezem en voorkamer

d)

boezem en ventrikel

8.

Alle slagaders vervoeren zuurstofrijkbloed

a)

ja

b)

neen

9.

Alle aders vervoeren

a)

zuurstofarm bloed

b)

zuurstofrijk bloed

c)

zuurstofarm bloed, met uitzondering van de longader

d)

zuurstofrijk bloed, met uitzondering van de longader

10.

De kleine bloedsomloop zorgt voor de aanlevering van

a)

O2 of zuurstof in het bloed

b)

CO2 of koolstofdioxide in het bloed

11.

De klep die de longslagader verbindt met de rechterkamer is de

a)

tricuspidaalklep

b)

mitraalklep

c)

pulmonaalklep

12.

De longslagader vervoert bloed vanuit de

a)

rechterkamer naar de longen

b)

linkerkamer naar de longen

c)

rechtervoorkamer naar de longen

d)

linkervoorkamer naar de longen

13.

De aorta of lichaamsslagader vertrekt vanuit de

a)

rechter voorkamer

b)

rechter kamer

c)

linker voorkamer

d)

linker kamer

14.

De aortaklep verbindt

a)

de linker kamer met de aorta

b)

de rechter kamer met de aorta

c)

de linker voorkamer met de aorta

d)

de rechter voorkamer met de aorta

15.

De grote bloedsomloop is de circulatie vanuit het hart naar

a)

alle organen in ons lichaam

b)

onze longen

16.

de bovenste en onderste holle ader vervoeren

a)

zuurstofrijk bloed

b)

zuurstofarm bloed

17.

de bovenste en onderste holle ader komen beiden uit in de

a)

rechter voorkamer

b)

rechter boezem

c)

linker voorkamer

d)

linker atrium

e)

linker boezem

18.

Wat weet je over de slagaders?

a)

vervoeren zuurstofrijk bloed (met uitzondering van de longslagader!)

b)

vervoeren het bloed naar het hart

c)

je voelt ze kloppen

d)

liggen meestal oppervlakkig

19.

Wat weet je over de aders, met uitzondering van de longader?

a)

vervoeren zuurstofrijk bloed

b)

vervoeren zuurstofarm bloed

c)

lopen naar het hart toe

d)

vertrekken vanuit het hart naar het lichaam

e)

liggen meestal oppervlakkig

20.

de uitwisseling van voeding, afvalstoffen, vitaminen, O2 en CO2 gebeurt in

a)

de slagaders

b)

de adres

c)

de haarvaten

21.

De functie van de bloedsomloop is

a)

vervoer van vitaminen, voedingsstoffen, afvalstoffen, O2 en CO2

b)

behouden van de lichaamstemperatuur

c)

het lichaam verdedigen tegen ziekteverwekkers

d)

het bloed zuiveren

e)

aanvoer van spijsverteringssappen

22.

Bij elke hartslag wordt er een bepaalde hoeveelheid bloed door het lichaam gepompt

a)

ja

b)

neen

23.

De hartslag kan je voelen bij

a)

aders die oppervlakkig in het lichaam liggen

b)

slagaders die oppervlakkig in het lichaam liggen

c)

aders die diep in het lichaam liggen

d)

slagaders die diep in het lichaam liggen

24.

Duid de oorzaken van bradycardie aan

a)

ondervoeding

b)

vergiftiging

c)

herenaandoeningen

d)

koorts

e)

hypertensie

25.

Men spreekt van bradycardie als de hartslag voor een volwassenen in rust

a)

50 slagen per minuut is

b)

45 slagen per minuut is

c)

minder dan 45 slagen per minuut is

26.

Tachycardie =

a)

te trage hartslag

b)

te snelle hartslag

27.

Men spreekt van tachycardie wanneer de hartslag in rust hoger is dan

a)

80 slagen per minuut

b)

100 slagen per minuut

c)

120 slagen per minuut

28.

De bloeddruk is

a)

de kracht waarmee het hart pompt

b)

de druk die je meet in de kleine bloedsomloop

c)

de druk die je meet in de grote bloedsomloop

29.

hypertensie =

a)

te lage bloeddruk

b)

te hoge bloeddruk

c)

te traag hartritme

d)

te hoog hartritme

30.

hypotensie =

a)

te lage bloeddruk

b)

te hoge bloeddruk

c)

te snel hartritme

d)

te traag hartritme

31.

Duid de oorzaken van hypotensie aan

a)

vocht tekort in het lichaam

b)

extreem bloedverlies

c)

medicatiegebruik

d)

te veel gebruik van alcohol

e)

migraine

32.

Wat zijn symptomen van hypotensie?

a)

vermoeidheid

b)

duizeligheid

c)

misselijkheid

d)

diarree

e)

koorts

33.

Welke preventieve actie ga je stellen bij een zorgvrager met hypotensie?

a)

extra zout in de voeding

b)

extra vetten in de voeding

c)

extra eiwitten in de voeding

d)

minder vocht toedienen

34.

Duid de oorzaken van hypertensie aan

a)

te veel vochtverlies in het lichaam

b)

alcoholmisbruik

c)

erfelijkheid

d)

overgewicht

35.

Wanneer spreekt men wel eens over de silent killer?

a)

als je hypertensie hebt

b)

als je hypotensie hebt

c)

als je bradycardie hebt

d)

als je tachycardie hebt

36.

Welke preventieve actie kan je stellen bij iemand met hypertensie?

a)

gezonde voeding gebruiken

b)

voldoende bewegen

c)

yoga volgen

d)

extra zout in de voeding doen

37.

Wat is atheromatose?

a)

bloedklonter

b)

trombose

c)

embolie

d)

aderverkalking

e)

spataders

38.

Duid de oorzaken van atheromatose aan

a)

roken

b)

overgewicht

c)

stress

d)

angina pectoris

39.

Wat zijn mogelijke symptomen van atheromatose?

a)

luchtembolie

b)

trombose

c)

embolie

d)

kalkafzetting aan de binnenkant van de bloedvaten

e)

zakvormige uitstulpingen van de bloedvaten

40.

Wat zijn de verzorgende acties die men stelt bij iemand met atheromatose?

a)

bloeddruk verlagende medicatie geven

b)

gezonde voeding geven

c)

extra zout gebruiken

d)

extra vetten gebruiken

e)

extra eiwitten toedienen

41.

Als men spreekt van een bloedklonter welke term past daar dan bij?

a)

trombose

b)

embolie

c)

atheromatose

d)

varices

42.

De mogelijke oorzaken van een trombose zijn

a)

het innemen van de pil

b)

een vreemd voorwerp in een ader vb een infuus

c)

te snelle bloedstroom

d)

varices

43.

Steunkousen zijn bij verschillende hartaandoeningen een deel van de therapie of behandeling. Wanneer doe je deze juist aan?

a)

's morgens voor het opstaan

b)

nadat de zorgvrager 30 min. met zijn benen horizontaal heeft gelegen

c)

na de ochtendverzorging

d)

enkel na het nemen van een bad of douche, de andere momenten blijven ze dag en nacht aan

44.

trombofebitis =

a)

een ontsteking van een ader

b)

spataders

c)

bloedklonter

d)

aderverkalking

45.

Wat zijn de symptomen van een tromboflebitis?

a)

roodheid

b)

koude rillingen

c)

zwelling

d)

lichte koorts

46.

Welke ziekte beschrijf ik?

lichaamseigen of lichaamsvreemd materiaal dat meegevoerd wordt door de bloedstroom en een ader of slagader afsluit

a)

trombose

b)

embolie

c)

varices

d)

atheromatose

47.

Bij een hartinfarct sterft een deel van de hartspier af door

a)

geen bloedtoevoer meer ten gevolge van een klonter in een bloedvat

b)

druk op de hersenen door een hersenbloeding

48.

Het vernauwen van de bloedvaten wordt in de hand gewerkt door

a)

roken

b)

overgewicht

c)

diabetes

d)

COPD

e)

te veel sporten

49.

Wat ga je doen wanneer iemand een hartinfarct doet?

a)

hem platleggen op de grond

b)

112 bellen

c)

de FAST test uitvoeren

d)

rustig blijven

e)

hem een half rechtzittende houding geven

50.

geef een andere naam voor spataders

a)

varices

b)

embolie

c)

trombose

d)

ateromatose

51.

Duid de oorzaken van varices aan

a)

te lang ter plaatse rechtstaan

b)

slechtwerkende hartkleppen

c)

erfelijkheid

d)

te veel eiwitrijke voedselinname

52.

Duid de symptomen aan van varices

a)

jeuk

b)

zware benen

c)

duidelijk zichtbare kronkelende aders onder de huid

d)

pijn

e)

hypertensie

53.

Wat ga je preventief doen tegen spataders?

a)

minder bewegen

b)

meer bewegen

c)

gezonde voeding

d)

goede lichaamshouding

e)

veel calcium houdende producten eten

54.

Geef een andere naam voor angina pectoris

a)

angor

b)

hartinfarct

c)

varices

d)

trombose

55.

Welke preventieve acties ga je stellen bij angor?

a)

angst

b)

koud klam zweet

c)

stress beheersingsprogramma volgen

d)

extra vetten verwerken in de voeding

56.

Oedeem herken je aan

a)

niet wegdrukbare zwelling

b)

roodheid

c)

warm lichaamsdeel

57.

Welke acties ga je uitvoeren wanneer een zorgvrager oedeem heeft?

a)

meer zout in de voeding gebruiken

b)

steunkousen dragen

c)

minder bewegen

d)

meer bewegen