Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsleer (t.e.m. gezegde)

Total questions: 37

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Dirk Bracke heeft veel boeken geschreven.

(a)  

2.

Welke woorden in deze zin horen bij het naamwoordelijk gezegde?

Ik ben een filmfan.

(a)  

3.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Ik wil later fotograaf worden!

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

4.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Ben jij gisteren flauwgevallen?

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

5.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Hij heeft zich opgeofferd voor zijn grote liefde!

a)

pv + wed vnw + vd

b)

pv + vd

c)

pv

d)

pv + adpv

e)

pv + wed vnw + adpv

6.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Was jij jou iedere ochtend?

a)

pv + wed vnw + vd

b)

pv + wed vnw

c)

pv

d)

pv + adpv

e)

pv + inf

7.

Welke delen van het werkwoordelijk gezegde vind je hier in de zin?

Breken dieven altijd in met geweld?

a)

pv + adpv + inf

b)

pv + adpv + vd

c)

pv + adpv

d)

pv + wed vnw

8.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

De zon schijnt fel.

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

9.

Heeft deze zin een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde?

Jij lijkt wel Justin Bieber!

a)

naamwoordelijk gezegde

b)

werkwoordelijk gezegde

c)

Goed geprobeerd... Geen één van de twee!

10.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Britney probeerde te ontsnappen van de paparazzi.

(a)  

11.

Welke woorden in deze zin horen bij het werkwoordelijk gezegde?

Ik wil graag leren fietsen.

(a)  

12.

Welke woorden horen bij het naamwoordelijk gezegde?

Mijn lieve, mooie kat heet Rallou.

a)

lieve, mooie heet Rallou

b)

heet Rallou

c)

Mijn lieve, mooie kat

d)

heet

13.

Duid alle woorden aan die bij het werkwoordelijk gezegde horen in deze zin:

De brandweer probeerde de brand te blussen met heel veel water.

a)

De brandweer

b)

probeerde

c)

de brand

d)

te

e)

blussen

14.

Duid alle woorden aan die bij het werkwoordelijk gezegde horen in deze zin:

Hij had die oefening helemaal niet gezien!

a)

Hij

b)

had

c)

die oefening

d)

helemaal niet

e)

gezien

15.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in deze zin:

Hij heeft de hele avond televisie gekeken.

a)

heeft televisie gekeken

b)

heeft gekeken

c)

televisie gekeken

16.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in deze zin:

Volgens de buren staat het geluid wel erg hard.

a)

staat

b)

het geluid

c)

staat erg hard

17.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in deze zin:

Hij had daar moeten staan.

a)

had

b)

had moeten staan

c)

had daar moeten

18.

Welk gezegde herken je in deze zin?

Deze oplossing lijkt mij erg goed.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

19.

Welk gezegde herken je in deze zin?

Wanneer knap jij die fiets eens op?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

20.

Welk gezegde herken je in deze zin?

Waarom hebben jullie hem dat niet verteld?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

21.

Welk gezegde herken je in deze zin?

Volgens de minister blijft de hulp noodzakelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordeliik gezegde

22.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij wil nooit haar moeder helpen met de afwas

(a)  

23.

Waar of niet waar?

'Aan het' en 'te' kunnen bij het werkwoordelijk gezegde horen.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Wat zit er altijd in het werkwoordelijk gezegde?

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

d)

Alle vormen komen altijd voor

25.

Het werkwoordelijk gezegde (WWG) zegt wat het onderwerp doet en het naamwoordelijk gezegde (NWG) zegt wat het onderwerp is/wordt/blijft.

a)

juist

b)

fout

26.

We moeten over vijf minuten vertrekken!

a)

persoonsvorm (PV)

b)

imperatief (IMP)

c)

voltooid deelwoord (VD)

d)

infinitief (INF)

27.

Sluit het raam eens a.u.b.

a)

persoonsvorm (PV)

b)

imperatief (IMP)

c)

voltooid deelwoord (VD)

d)

infinitief (INF)

28.

Speel je vaak Fortnite?

a)

persoonsvorm (PV)

b)

imperatief (IMP)

c)

voltooid deelwoord (VD)

d)

infinitief (INF)

29.

De dokter heeft me deze medicijnen gegeven.

a)

persoonsvorm (PV)

b)

imperatief (IMP)

c)

voltooid deelwoord (VD)

d)

infinitief (INF)

30.

Mijn punten voor Nederlands zijn verbeterd.

a)

persoonsvorm (PV)

b)

imperatief (IMP)

c)

voltooid deelwoord (VD)

d)

infinitief (INF)

31.

Waar of niet waar? Bij een zin met meerdere werkwoorden, is de pv altijd het hulpwerkwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Wat is het hoofdwerkwoord in deze zin?

Dirk en Pieter zullen moeten schuilen voor de regen.

a)

zullen

b)

moeten

c)

schuilen

d)

regen

33.

Wat is het hoofdwerkwoord in deze zin?

Elke zondag blijf ik bij oma slapen.

a)

blijf

b)

slapen

34.

Wat is het hoofdwerkwoord in deze zin?

Elke dag eet ik een boterham met choco.

(a)  

35.

Wat is het hoofdwerkwoord in deze zin?

'Grote smurf heeft verschillende oplossingen bedacht.'

a)

Grote Smurf

b)

heeft

c)

verschillende

d)

oplossingen

e)

bedacht

36.

Wat is het hoofdwerkwoord in de volgende zin: 'De kinderen hebben gisteren heerlijk gespeeld in de tuin.'

a)

kinderen

b)

hebben

c)

gespeeld

d)

tuin

37.

Wat is het hoofdwerkwoord in de zin: 'Zij zal morgen haar verjaardag vieren.'

a)

zal

b)

morgen

c)

vieren