Worksheetswerkwoorden in de tt
Total questions: 42
Worksheet time: 18mins
Name
Class
Date
1.
Een woord dat je kunt doen of wat gebeurt is een...?
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
voorzetsel
d)
werkwoord
2.
Welk woord is een werkwoord?
a)
hond
b)
van
c)
zitten
d)
de
3.
Welk woord is een werkwoord?
a)
fiets
b)
gaan
c)
in
d)
het
4.
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Hij ......................... op straat.
Hij ......................... op straat.
a)
loopt
b)
loop
c)
lopen
d)
gelopen
5.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Willem lachte het hartst om de grap.
Willem lachte het hartst om de grap.
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
6.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Jullie hebben alle vragen goed!
Jullie hebben alle vragen goed!
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
7.
Vul de juiste vorm van de tegenwoordige tijd in.
Jan (vinden) Gent een mooie stad.
Jan (vinden) Gent een mooie stad.
a)
vind
b)
vindt
c)
vinden
d)
vint
8.
Ik (zoeken) mijn handtas.
a)
zoekt
b)
zoeken
c)
zocht
d)
zoek
9.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
a)
Worden
b)
Wordt
c)
Word
d)
Wort
10.
(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?
a)
Vind
b)
Vint
c)
Vindt
d)
Vinden
11.
De dames (maken) zich op voor het feest.
a)
maakten
b)
maak
c)
maakt
d)
maken
12.
Het vuur (branden) de hele dag.
a)
branden
b)
brand
c)
brandt
d)
brant
13.
Ina (beantwoorden) een vraag.
a)
beantwoordt
b)
beantwoorden
c)
beantwoord
d)
beantwoordde
14.
Peter (fietsen) helemaal naar huis.
a)
fiets
b)
fietst
c)
fietste
d)
fiestt
15.
(Worden) jij de volgende kampioen?
a)
Wordt
b)
Word
c)
Worden
d)
Wort
16.
Vincent (verliezen) nooit een wedstrijd.
a)
verlies
b)
verliezt
c)
verliezen
d)
verliest
17.
Hij (reizen) heel graag.
a)
reis
b)
reizt
c)
reisd
d)
reist
18.
Kristine (feliciteren) hem voor zijn verjaardag.
a)
felicetert
b)
feliciteert
c)
feliciteer
d)
feliciteerde
19.
Ik ................. twee tassen
a)
heeft
b)
heb
c)
hebben
d)
hebt
20.
Opa en oma .......... een groot huis.
a)
hebben
b)
heben
c)
heeft
d)
heb
21.
Wij ............ op vakantie
a)
zij
b)
zijn
c)
ben
d)
is
22.
De leerlingen van LS10 .......... in de klas
a)
is
b)
ben
c)
zijn
d)
bent
23.
Clara en Jan ................hoofdpijn
a)
heb
b)
heeft
c)
hebben
d)
hebt
24.
De lerares .................. een pen.
a)
heeft
b)
heb
c)
hebt
d)
hebben
25.
Mijn zus ................... de oefening niet.
a)
begrijpt
b)
begrijpen
c)
begrijp
d)
begrij
26.
Jullie ............ vandaag les.
a)
heeft
b)
hebben
c)
heb
d)
hebt
27.
Klaas ............ pijn aan zijn hand.
a)
heeft
b)
hebt
c)
hebben
d)
heb
28.
U ......... een mooie jas!
a)
heeft/hebt
b)
hebben
c)
heb
29.
............... jij nieuwe kleren?
a)
hebt
b)
heeft
c)
hebben
d)
heb
30.
............. jij ziek?
a)
is
b)
ben
c)
zijn
d)
bent
31.
Mijn broers............. ouder dan ik.
a)
zijn
b)
is
c)
bent
d)
ben
32.
Ik ........... moe!
a)
ben
b)
is
c)
zijn
d)
bent
33.
Joanna ............. werken
a)
moet
b)
moeten
c)
mot
d)
moe
34.
Wij ............ een leuke klas!
a)
zijn
b)
is
c)
ben
d)
bent
35.
De jongens ............... lang.
a)
zijn
b)
is
c)
ben
d)
bent
36.
De radio .......... kapot
a)
bent
b)
ben
c)
is
d)
zijn
37.
De hond .................. pijn.
a)
is
b)
heeft
c)
hebben
d)
heb
38.
De tafel ............ hoog.
a)
heeft
b)
is
c)
hebt
d)
zijn
39.
De stoelen ............. in de klas.
a)
zijn
b)
is
c)
ben
d)
bent
40.
................. op school?
a)
werkt
b)
werk
c)
werken
41.
Jullie ............. vandaag huiswerk.
a)
hebben
b)
heb
c)
heeft
d)
hebt
42.
............ hij huiswerk?
a)
heb
b)
hebben
c)
heeft
d)
hebt
100 %
