wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Risico en informatie (P6 K6 Hfdst2)

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Welk waardepapier heeft een groter risico en waarom? Aandelen of obligaties?

a)

Aandelen want je weet nooit of je aan het eind van het jaar je rente krijgt

b)

Obligaties want je weet nooit of je aan het einde van het jaar dividend bijgeschreven krijgt

c)

Aandelen want je weet nooit of het bedrijf winst maakt

d)

Obligaties, want het is onzeker of je je geld terugkrijgt als het bedrijf failliet gaat

2.

Gilbert wil zich vestigen als zelfstandig schilder. Voor welke ondernemingsvorm kiest hij?

a)

Eenmanszaak

b)

Vennootschap

3.

Je wil zelf je zaak leiden, je moet grote risico's nemen en je beschikt niet over een vrij groot kapitaal. Je kiest voor:

a)

eenmanszaak

b)

NV

c)

BV

4.

De vennootschapsbelasting is nadeliger dan de inkomstenbelasting.

a)

Juist

b)

Fout

5.

De aandelen van een NV zijn vrij overdraagbaar.

a)

Juist

b)

Fout

6.

Verklaar ook dit begrip:

Begrip 4: hoofdelijk aansprakelijk

a)

Je aansprakelijkheid ivm de verbintenissen van de ondernemig moet uiteindelijk vereffend worden met je hoofd.

b)

Je aansprakelijkheid ivm de verbintenissen van de onderneming moet in orde komen door je hoofd te gebruiken.

c)

Je bent gezamenlijk aansprakelijk voor de verbintenissen die de onderneming aanging. (gelijk verdeeld over elk hoofd dat de onderneming heeft)

d)

Je bent individueel aansprakelijk voor de verbintenissen die de onderneming (ook met eventueel meerdere personen) aanging.

7.

Waarvoor staat de afkorting van deze ondernemingsvorm:

bv?

a)

beschermde vennootschap

b)

bevoegd ondernemer

c)

besloten vennootschap

d)

besloten vereniging

8.

Welke uitspraak past het best bij een 'eenmanszaak'?

a)

Dit is een vennootschap die één man als eigenaar heeft.

b)

Dit is een onderneming die één persoon als eigenaar heeft.

c)

Dit is een zaak die één persoon aangaat.

d)

Dit is één man die een zaak opstart.

e)

Dit is een onderneming waar één persoon werkt.

9.

Een eenmanszaak

a)

mag geen personeel in dienst hebben.

b)

kan nooit meer dan één winkel hebben.

c)

is hetzelfde als een zzp'er.

d)

heeft maar één eigenaar.

10.

Bij een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

d)

is het moeilijk om snel in te spelen op veranderingen in de markt.

11.
Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden
a)
dividendbelasting
b)
Inkomstenbelasting
c)
Vennootschapsbelasting
12.
De BV is een zelfstandig rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
13.

Lees de volgende beweringen en geef het juiste antwoord.

Bewering 1: Bij de bv en nv zijn aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap.

Bewering 2: Bij de naamloze vennootschap zijn de aandeelhouders in principe niet bekend bij de vennootschap.

a)

Bewering 1 is waar, bewering 2 is niet waar.

b)

Bewering 1 is niet waar, bewering 2 is waar.

c)

Bewering 1 en 2 zijn allebei waar.

d)

Bewering 1 en 2 zijn allebei niet waar.

14.

Stel: een naamloze vennootschap gaat failliet. Er staat in totaal nog €20.000 aan facturen open bij leveranciers. Op wie kunnen de leveranciers dit verhalen?

a)

op de aandeelhouders

b)

op de directie

c)

alleen op de manager 'inkoop'

d)

op niemand

15.

Bij welke rechtsvorm(en) is/zijn de aandelen verhandelbaar op de effectenbeurs?

a)

eenmanszaak

b)

vennootschap onder firma

c)

besloten vennootschap

d)

naamloze vennootschap

16.

Stel: een vennootschap onder firma gaat failliet. Eigenaar 1 heeft 40% van het vermogen ingebracht, eigenaart 2 60%. Na het faillissement is er een schuldeiser die nog €10.000 krijgt. Wie is aansprakelijk?

a)

Beiden voor de volle €10.000

b)

Ieder voor €5.000

c)

Eigenaar 1: €4.000. Eigenaar 2: €6.000.

d)

niemand

17.

Bij welke van de onderstaande rechtsvorm(en) wordt er gestreefd naar het maken van winst?

a)

eenmanszaak

b)

vennootschap onder firma

c)

besloten vennootschap

d)

naamloze vennootschap

18.

Een aandeel is:

a)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een rechtspersoon is.

b)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een natuurlijk persoon is.

c)

een eigendomsbewijs in een onderneming die zowel natuurlijk als rechtspersoon is.

d)

geen van bovenstaand.

19.

Bij welke ondernemingsvorm hoort deze zin:

*Lisa en haar moeder zijn samen eigenaar van een nagelstudio. Aan het eind van het jaar verdelen ze de winst. Over deze winst betalen ze beiden inkomstenbelasting.

Welke ondernemingsvorm heeft de nagelstudio?

a)

Eenmanszaak

b)

Vennootschap Onder Firma (VOF)

c)

Besloten Vennootschap (BV)

d)

Naamloze Vennootschap (NV)

e)

ZZP'er

20.

Bij welke ondernemingsvorm hoort deze zin:

*Peter is directeur van zijn eigen onderneming. Zijn privégeld en het geld van de onderneming zijn totaal gescheiden. Als inkomen ontvangt Peter loon van zijn onderneming.

Welke ondernemingsvorm heeft de onderneming van Peter?

a)

Eenmanszaak

b)

Vennootschap Onder Firma (VOF)

c)

Besloten Vennootschap (BV)

d)

Naamloze Vennootschap (NV)

e)

Stichting

21.

Bij welke ondernemingsvorm hoort deze zin:

*Ajax keert dit jaar geen dividend uit, omdat ze het positieve nettoresultaat toevoegen aan de reserves.

a)

Eenmanszaak

b)

Vennootschap Onder Firma (VOF)

c)

Besloten Vennootschap (BV)

d)

Naamloze Vennootschap (NV)

e)

Stichting

22.

Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden

a)

dividendbelasting

b)

Inkomstenbelasting

c)

Vennootschapsbelasting

23.

Een aandeel is:

a)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een rechtspersoon is.

b)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een natuurlijk persoon is.

c)

een eigendomsbewijs in een onderneming die zowel natuurlijk als rechtspersoon is.

d)

geen van bovenstaand.

24.

Bij welke rechtsvormen is de continuïteit het best gewaarborgd?

a)

Eenmanszaak

b)

Vof

c)

BV

25.

Ik koop een obligatie voor 200 Euro, een jaar later verkoop ik hem voor 190 Euro. Ik heb intussen wel 30 Euro rente ontvangen. Mijn Rendement is:

a)

30%

b)

-10%

c)

20%

d)

10%

26.

Sparen is relatief veilig omdat:

a)

Banken gesteund worden door de overheid en dus niet failliet kunnen.

b)

Je spaargeld veilig is door het depositogarantiestelsel

c)

Er altijd een inflatiecorrectie is

d)

De nominale rente nooit negatief is

27.

De rente op mijn spaarrekening is 1%.

De inflatie is 2,6%

Wat is mijn reeele rente?

a)

-1,6%

b)

-1,5%

c)

1,56%

d)

3,6%

e)

1,6%

28.

Als de inflatie gelijk is aan de nominale rente, dan is de

a)

Reele rente gelijk aan 0

b)

Reele rente gelijk aan de nominale rente

c)

Dan daalt de koopkracht.

d)

Dan is de inflatie hoger dan de koopkracht.

29.

Vink alle goede antwoorden aan:


Een obligatie

a)

Staat de rente vast

b)

Kun je mmestal verhandelen op de beurs

c)

Loop je minder risico dan bij sparen

d)

Kan worden uitgegeven door een hockeyclub.

30.

De koers van de obligatie hangt af van:

a)

de huidige rentestand

b)

de betrouwbaarheid (kredietwaardigheid) van de uitgevende instelling

c)

de rente op de obligatie (de coupon).

d)

de resterende looptijd

e)

De ontwikkelingen op de aandelenmarkt

31.

Obligaties zijn een vorm van eigen vermogen

a)

juist

b)

onjuist

32.

Ik heb een obligatie van € 1.000 nominaal gekocht voor € 1.080,-. Dat betekent dat de (markt)rente op dit moment lager is dan de rente die ik krijg op mijn obligatie

a)

juist

b)

onjuist

33.

Op welke manier is de (markt)rente van invloed op de beurskoers van obligaties?

a)

niet

b)

de marktrente is even hoog als de rente op jouw obligatie. Daalt de rente, dan krijg ik dus ook minder rente over mijn obligatie

c)

de marktrente is een alternatief voor jouw obligatie. Daalt de rente, dan wordt mijn obligatie interessanter en andersom

34.

Op welke manier is er een verband tussen de vraag naar aandelen en de marktrente?

a)

niet

b)

als de rente hoog is, is er veel vraag naar aandelen want dan krijgen beleggers veel dividend

c)

als de rente hoog is, is er weinig vraag naar aandelen, want de beloning voor obligaties (rente) is dan aantrekkelijker vergeleken met het dividend van aandelen

35.

als ik obligaties koop van een bedrijf, ben ik..... van een bedrijf

a)

Geldgever

b)

Eigenaar

c)

Mede-eigenaar

36.

Een obligatie koste op 31 Dec 2016 nominaal € 250. Deze obligatie kostte op 31

dec 2017 € 300. In beide jaren leverde de obligatiel € 50 interest op. Het couponrendement over 2017 bedraagt.........

a)

16,67%

b)

20%

c)

120%

37.

Ik krijg in ruil voor mijn investering in obligaties.......

a)

Zeggenschap

b)

Dividend

c)

Interest

38.

Bereken het totaal aan rente en aflossing voor het 4e jaar!

a)

€ 23.160,-

b)

€ 22.044,-

c)

€ 23.067,-

d)

€ 22.072,-

39.

Over een belegging in obligaties ontvang je ...

a)

rente

b)

dividend

c)

rendement

d)

knikkers

40.

Wat is dividend?

a)

een bijstandsuitkering

b)

het rendement op je belegging

c)

de koersstijging van je aandelen

d)

de winstuitkering aan de aandeelhouders