wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen herfsttoets wero

Total questions: 20

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Bij welke periode horen de ambachten?

a)

prehistorie

b)

oudheid

c)

middeleeuwen

d)

nieuwe tijden

e)

onze tijd

2.

Bij welke periode horen de hunebedden?

a)

prehistorie

b)

oudheid

c)

middeleeuwen

d)

nieuwe tijden

e)

onze tijd

3.

Bij welke periode hoort de heirbaan?

a)

prehistorie

b)

oudheid

c)

middeleeuwen

d)

nieuwe tijden

e)

onze tijd

4.

Bij welke periode hoort de atoombom?

a)

prehistorie

b)

oudheid

c)

middeleeuwen

d)

nieuwe tijden

e)

onze tijd

5.

Bij welke periode hoort de miniatuur?

a)

prehistorie

b)

oudheid

c)

middeleeuwen

d)

nieuwe tijden

e)

onze tijd

6.

Waar past het begrip bij?

voedsel kweken

a)

eerste mens in het begin

b)

eerste mens later

7.

Waar past het begrip bij?

rondtrekken

a)

eerste mens in het begin

b)

eerste mens later

8.

Wat is de juiste volgorde van hoog naar laag?

a)

vrije boer

geestelijken

adel

lijfeigene

ridder

b)

geestelijken

adel

lijfeigene

ridder

vrije boer

c)

geestelijken

adel

ridder

vrije boer

lijfeigene

d)

adel

geestelijken

ridder

lijfeigene

vrije boer

9.

Een middeleeuwse vereniging die alle mensen van een bepaald beroep (bakkers, smeden ...) verenigde en controleerde is de...

(a)  

10.

Mensen die binnen de muren van een middeleeuwse stad woonden zijn...

(a)  

11.

Wat was de belangrijkste uitvinding van de nieuwe tijden?

(a)  

12.

Smal straatje in de stad, waar arbeiders in kleine huisjes naast elkaar wonen.

(a)  

13.

Romeins flatgebouw van enkele verdiepingen

(a)  

14.

In onze tijd gingen mensen overzee op ontdekking naar andere landen.

a)

waar

b)

niet waar

15.

In onze tijd werd het leven veel harder en moeilijker.

a)

waar

b)

niet waar

16.

In onze tijd was er heel wat vooruitgang in de technologie.

a)

waar

b)

niet waar

17.

In onze tijd werd ontspanning belangrijker.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Wat zie je op de foto?

(a)  

19.

Wat zie je op de foto?

(a)  

20.

Wat zie je op de foto?

(a)