wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

N2 - 3TL - H1 en 4.2

Total questions: 38

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent dit gevarensymbool?

a)

Corrosief

b)

Giftig

c)

Licht ontvlambaar

d)

Irriterend

2.

De letter N staat voor atoomsoort................

a)

Stikstof

b)

Goud

c)

Waterstof

d)

Zuurstof

3.

De letter H staat voor atoomsoort................

a)

Stikstof

b)

Goud

c)

Waterstof

d)

Zuurstof

4.

Welke letter(s) hoort bij de atoomsoort koolstof?

a)

C

b)

Au

c)

Fe

d)

O

5.

Welke letter(s) hoort bij de atoomsoort koper?

a)

Cu

b)

Au

c)

Al

d)

Fe

6.

De letter Na staat voor atoomsoort................

a)

Natrium

b)

Koper

c)

Waterstof

d)

Chloor

7.

Wat betekent dit gevarensymbool?

a)

Corrosief

b)

Giftig

c)

Licht ontvlambaar

d)

Schadelijk

8.

Welk gevarensymbool herken je op de afbeelding?

a)

Schadelijk

b)

Giftig

c)

Bijtend

d)

Gevaarlijk

e)

Gevaarlijk voor de gezondheid op lange termijn

9.

Welk gevarensymbool herken je op de afbeelding?

a)

Schadelijk

b)

Houden onder druk

c)

Explosiegevaar

d)

Dodelijk

e)

Brandgevaarlijk

10.

bij deze stoffen

a)

Is links is zuiver en rechts niet

b)

zijn beide zuiver

c)

Is rechts zuiver en links niet

d)

Zijn beide niet zuiver

11.

Bij de bovenstaande foto

a)

Is rechts helder en links troebel

b)

Is rechts troebel en links helder

c)

Zijn beide helder

d)

Zijn beide troebel

12.

Bij de bovenstaande foto is de linker

a)

Een heldere oplossing

b)

Een troebele suspensie

c)

Een heldere suspensie

d)

Een troebele oplossing

13.
Verdampen is een chemische reactie.
a)
waar
b)
niet waar
14.

Wat is het elementsymbool van ijzer

a)

Fe2

b)

IJ

c)

Fe

15.

Zuivere stoffen bestaan uit 1 soort moleculen.

a)

Waar.

b)

Niet waar.

16.

waaraan kan je een stof herkennen?

a)

een stofeigenschap

b)

de fase

c)

gewicht

d)

volume

17.
welk mengsel is altijd helder?
a)
oplossing
b)
emulsie
c)
suspensie
d)
alle drie
18.

Welke van de volgende verschijnselen of processen is NIET scheikundig?

a)

Het verbranden van papier

b)

Het slijpen van een potlood

c)

Het verteren van voedsel

d)

Het koken van aardappelen

19.

In welke regel staan alleen maar stofeigenschappen?

a)

wit, 23 graden Celsius en oplosbaar in water

b)

Vloeibaar bij kamertemperatuur, 23 gram en kookt bij 167 graden Celsius

c)

Geel, zure smaak en brandbaar

d)

Smelt bij -6 graden Celsius, 250 mL, niet oplosbaar in water

20.

Als de temperatuur van een stof stijgt......

a)

Gaan moleculen sneller bewegen en neemt de aantrekkingskracht toe.

b)

Gaan moleculen langzamer bewegen en neemt de aantrekkingskracht toe.

c)

Gaan moleculen sneller bewegen en neemt de aantrekkingskracht af.

d)

Gaan moleculen langzamer bewegen en neemt de aantrekkingskracht af.

21.

In welke fase is de aantrekkingskracht tussen de moleculen het grootst?

a)

Gas fase

b)

Vloeibare fase

c)

Vaste fase

22.
Thee is een:
a)
Zuivere stof
b)
Suspensie
c)
Oplossing
d)
Vast mengsel
23.
Sinaasappelsap is een:
a)
Zuivere stof
b)
Suspensie
c)
Oplossing
d)
Vast mengsel
24.
Welk punt hoort niet bij het deeltjesmodel?
a)
Iedere stof is opgebouwd uit hele kleine deeltjes, moleculen.
b)
Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen.
c)
Moleculen hebben altijd dezelfde snelheid.
d)
Moleculen trekken elkaar aan.
25.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
26.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
27.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
28.
Voor welke fase gebruiken we de letter s?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
29.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
30.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
31.
Bij welke faseovergang worden de aantrekkingskrachten tussen de moleculen groter?
a)
smelten
b)
condenseren
c)
verdampen
d)
vervluchten/sublimeren
32.

Welke faseovergang zie je op de afbeelding?

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

sublimeren

33.

Welke faseovergang zie je hier afgebeeld?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Sublimeren

34.

Een ijsblokje in een glas limonade

a)

Smelt

b)

Verdampt

c)

Condenseert

d)

Stolt

35.

Bekijk de afbeelding. Welk van deze blokjes is het grootst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

36.

Bekijk de afbeelding. Welk van deze blokjes heeft de grootste dichtheid?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

37.

Bekijk de afbeelding. Welk van deze blokjes is het zwaarst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

38.

Billy heeft een onbekend voorwerp.

Hij wil graag weten van welke materiaal het voorwerp gemaakt is. Het voorwerp heeft een inhoud van 141,4 cm3. De massa is 1258 g.

Bereken de dichtheid van het voorwerp en bepaal met de tabel van welke stof het gemaakt is. (Tip: let op de eenheden!)

a)

goud

b)

koper

c)

aluminium

d)

zink