wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 Ecologie bs 1 t/m 6

Total questions: 79

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Een beer is een...

a)

alleseter

b)

planteneter

c)

vleeseter

2.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

3.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

4.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
5.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
6.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
7.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
8.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
9.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
10.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
11.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
12.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
13.

Koolstofdioxide wordt omgezet in zuurstof door

a)

planten

b)

dieren

c)

schimmels

d)

bacteriën

14.

Waarmee begint een voedselrelatie altijd?

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

15.

De kikker is een consument van de ... orde.

a)

tweede

b)

derde

c)

beide bovenstaande antwoorden zijn juist

d)

geen van bovenstaande antwoorden zijn juist

16.

Reducenten zorgen voor?

a)

De afbraak van organische stoffen in anorganische stoffen

b)

Reductiedeling

c)

Het verkleinen van een voedselketen

d)

Planten

17.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
18.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
19.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
20.
Welke schakel heeft altijd de grootste biomassa?
a)
consumenten eerste orde
b)
consumenten 2e orde
c)
producenten
21.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
22.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
23.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren omdat een organisme wordt opgegeten.
a)
juist
b)
onjuist
24.
Bij insecten is de verhouding tussen opgenomen en doorgeven energie ongunstiger dan bij zoogdieren.
a)
juist
b)
onjuist
25.

Wat is biomassa?

a)

Massa van de levende organisme van de wereld

b)

Massa van de levende organisme in een gebied

c)

Massa van biologische brandstoffen

d)

Massa van de biologische producten

26.

Niet alle energie in een voedselketen wordt doorgegeven. Waar wordt per schakel energie 'verloren'?

a)

verbranding

b)

niet alles wordt opgegeten

c)

deel van de organismes sterft voordat deze worden gegeten

d)

Doordat sommige energie als reservestof wordt opgeslagen

27.
Binnen een ecosysteem zijn de aantallen organismen van een soort altijd gelijk.
a)
juist
b)
onjuist
28.
Hoe noemen we deze kringloop?
a)
koolstofkringloop
b)
stikstofkringloop
c)
stoffenkringloop
29.
Wat ontbreekt er bij nummer 1?
a)
verbranding
b)
fotosynthese
30.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
31.
Wat ontbreekt bij nummer 3?
a)
consument
b)
reducent
c)
producent
d)
afvaleters
32.
Wat ontbreekt bij nummer 4?
a)
fotosynthese
b)
verbranding
33.

Welke van de volgende stoffen zijn anorganisch?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Eiwitten

34.

Welke van de volgende stoffen zijn organisch?

a)

Dode resten van dieren

b)

Mineralen

c)

glucose

d)

zuurstof

35.

Wat doen reducenten?

a)

Zetten organische stoffen om in anorganische stoffen

b)

Zetten anorganische stoffen om in organische stoffen

c)

M

36.

Wat doen planten?

a)

Zetten organische stoffen om in anorganische stoffen

b)

Zetten anorganische stoffen om in organische stoffen

c)

M

37.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
38.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
39.
In het voorjaar van het derde jaar is er genoeg te eten en krijgen de koolmezen veel jongen.
a)
juist
b)
onjuist
40.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
41.
Het klimaat heeft veel invloed op de grootte van een populatie.
a)
juist
b)
onjuist
42.
Dit diagram noemen we ook wel een...
a)
minimum-maximumkromme.
b)
staafdiagram.
c)
milieukromme.
d)
optimumkromme.
43.
Boven het maximum en onder het minimum gaan organismen dood.
a)
juist
b)
onjuist
44.

De onderstaande factoren bepalen hoeveel muizen in een gebied kunnen voorkomen. Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

Hoeveelheid regen er jaarlijks in een gebied valt

b)

De boomsoorten die in het gebied voorkomen

c)

Hoeveel roofvogels er in het gebied voorkomen

d)

Hoeveel parasieten er in het gebied voorkomen

45.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
46.
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
a)
Leerling 1
b)
Leerling 2
c)
Leerling 3
d)
Leerling 4
47.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

48.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
49.

De temperatuur in een gebied en de hoeveelheid zonlicht die in een gebied schijnt zijn voorbeelden van....

a)

Biotische factoren

b)

Draagkracht

c)

Toleranties

d)

Abiotische factoren

50.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

51.
Het gestroomlijnde lichaam van deze pinguïn is een voorbeeld van....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
mutualisme.
d)
symbiose.
52.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
53.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
54.
Wat voor een soort 'ganger' zie je in deze afbeelding?
a)
zoolganger
b)
teenganger
c)
topganger/hoefganger
55.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
56.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
haaksnavel
d)
zeefsnavel
57.
Wat voor een soort snavel zie je bij een vogel met dit soort poten?
a)
kegelsnavel
b)
priemsnavel
c)
pincetsnavel
d)
zeefsnavel
58.
Hoe noemen we de snavel van deze vogel?
a)
priemsnavel
b)
haaksnavel
c)
kegelsnavel
d)
pincetsnavel
59.

Bij wat voor type dieren komt de volgende aanpassing vooral voor?

Gestroomlijnd lichaam

a)

Landdieren

b)

Waterdieren

c)

Luchtdieren

60.

Bij wat voor type dieren komt de volgende aanpassing vooral voor?

(meerdere antwoorden kunnen goed zijn)

Schutkleur

a)

Landdieren

b)

Waterdieren

c)

Luchtdieren

61.

Welke snavel is het beste om insecten te eten?

a)

Kegelsnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Priemsnavel

d)

Haaksnavel

62.
Je ziet hier een luchtkanaal in een stengel. Deze komen voor bij...
a)
woestijnplanten
b)
schaduwplanten
c)
zonplanten
d)
waterplanten
63.
Voorjaarsbloeiers zijn...
a)
zonplanten
b)
schaduwplanten
64.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
65.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een droge omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
66.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een vochtige omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
67.

Waarvoor dienen de haren op bladeren van een plant?

a)

Verdamping tegen te gaan

b)

Minder aantrekkelijk zijn voor planteneters

c)

Betere zaadverspreiding

d)

Vaker geplukt worden

68.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

69.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

70.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

71.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een droge omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
72.

Welke voedselketen is correct?

a)

Haring -> krill -> algen

b)

Buizerd -> veldmuis -> gras

c)

lijsterbes -> merel -> vos

d)

eik <- eekhoorn <- boommarter

73.

Wat is de producent in deze voedselketen?


Gras -> sprinkhaan -> kikker -> slang

a)

gras

b)

sprinkhaan

c)

kikker

d)

slang

74.

Wat is de consument 2e orde in de voedselketen?


Gras -> sprinkhaan -> kikker -> slang

a)

gras

b)

sprinkhaan

c)

kikker

d)

slang

75.

Welke soort organismen zijn altijd producenten?

(a)  

76.

Waar of niet waar?


Bij een piramide van aantallen is de onderste laag altijd het grootst.

a)

Waar

b)

Niet waar

77.

Waar of niet waar?


Bij een piramide van aantallen is de tweede laag (vanaf onder) vaak de ´grootste´ laag

a)

Waar

b)

Niet waar

78.

Komt er door verbranding energie in de voedselketen of gaat er energie uit?

a)

Komt energie in

b)

Gaat energie uit

79.

Waar of niet waar?


Door uitscheiding gaat er ook energie uit de voedselketen

a)

Waar

b)

Niet waar