NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsExamentest 4B
Total questions: 77
Worksheet time: 39mins
Name
Class
Date
1.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
2.
Vissen halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
3.
Insecten halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
4.
Eencellige dieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
5.
In de afbeelding zie je in het geel
a)
longen
b)
kieuwen
c)
tracheeën
d)
geen van de drie
6.
In de afbeelding zie je schematisch getekend:
a)
longen
b)
kieuwen
c)
tracheeën
d)
geen van de drie
7.
In de afbeelding zie je
a)
longen
b)
kieuwen
c)
tracheeën
d)
geen van de drie
8.
Nummer 5 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
9.
Nummer 4 is
a)
de luchtpijp
b)
het strotklepje
c)
een longblaasje
d)
de huig
10.
Het gas dat bedoelt wordt met pijl A heet
a)
zuurstof
b)
koolstofdioxide
c)
stikstof
d)
edelgassen
11.
In de animatie zie je
a)
een klaplong
b)
een astma-aanval
c)
een hartaanval
d)
een bronchitis-aanval
12.
Bronchitis is meestal een ontsteking bij letter
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
13.
Nummer 4 wijst naar
a)
het reukslijmvlies
b)
de reukzintuigcellen
c)
de reukzenuw
d)
de neusschelpen
14.
Inademen door je neus is beter dan door je mond omdat
a)
de lucht droger wordt
b)
de lucht af kan koelen
c)
de lucht warmer wordt
d)
je je dan niet snel verslikt
15.
Hoe heet de plasbuis eigenlijk?
a)
urinebuis
b)
urineleider
c)
blaasbuis
16.
Wat de de juiste stand voor slikken?
a)
huig in stand 1, strotklepje in stand 1
b)
huig in stand 1, strotklepje in stand 2
c)
huig in stand 2, strotklepje in stand 1
d)
huig in stand 2, strotklepje in stand 2
17.
Hoe heet deel Q?
a)
huig
b)
strotklepje
c)
slokdarm
d)
luchtpijp
18.
Hoe heet deel S?
a)
niermerg
b)
urineleider
c)
nierbekken
d)
urinebuis
19.
Wat geeft letter P aan?
a)
een niersteen
b)
een blaassteen
20.
Wat hoort in de biologie NIET bij uitscheiding?
a)
plassen
b)
zweten
c)
uitademen
d)
poepen
21.
Nummer 2 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
22.
Nummer 4 is de
a)
slokdarm
b)
maagportier
c)
12-vingerige darm
d)
speekselklier
23.
Nummer 9 is de
a)
slokdarm
b)
maag
c)
12-vingerige darm
d)
dunne darm
24.
Welk orgaan werkt niet goed bij diarree?
a)
de maag
b)
de dunne darm
c)
de dikke darm
d)
de alvleesklier
25.
Gal wordt gemaakt in nummer
a)
8
b)
6
c)
3
d)
7
26.
Voedingsstoffen worden in het bloed opgenomen in nummer
a)
11
b)
10
c)
9
d)
12
27.
Welk nummer wijst het tandbeen aan?
a)
1
b)
2
c)
3
28.
Hoe heet nummer 1
a)
tandkroon
b)
tandwortel
c)
kaakbeen
d)
glazuur
29.
Wat is de naam van orgaan D?
a)
galblaas
b)
lever
c)
alvleesklier
d)
maag
30.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
31.
Eiwit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
c)
genotsmiddel
32.
Welke voedingsstof moet wel verteerd worden?
a)
zetmeel
b)
water
c)
vitamines
d)
mineralen
33.
Koolhydraten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
34.
Vetten worden vooral gebruikt als
a)
brandstof
b)
bouwstof
c)
beschermende stof
d)
reservestof
35.
Bij de persoon in de afbeelding is sprake van grondstofwisseling.
a)
Juist
b)
Niet juist
36.
In het vak van vlees, vis en zuivel zit(ten) veel
a)
vetten
b)
zetmeel
c)
voedingsvezel
d)
eiwitten
37.
Het vocht uit het vak met drinken is vooral voor
a)
bouwstoffen
b)
brandstoffen
c)
goede darmwerking
d)
de smaak van je eten
38.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
(pepsine is een enzym dat in de maag gemaakt wordt)
(pepsine is een enzym dat in de maag gemaakt wordt)
a)
dat het maar één stof afbreekt
b)
dat het na de reactie weer bruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde zuurgraad (pH)
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
39.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt
a)
dat het geen stof afbreekt
b)
dat het na de reactie weer bruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde temperatuur
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
40.
Op deze afbeelding zie je
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
41.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
42.
De pijltjes in de afbeelding wijzen naar de
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
43.
De vloeistof die nu boven in de buis zit, is voor
a)
vervoer opgeloste stoffen
b)
afweer tegen ziekteverwekkers
c)
zuurstoftransport
d)
stolling van het bloed
44.
Als het bloed bij een wondje niet meer stolt, kan dat
a)
leukemie zijn
b)
hemofilie zijn
c)
door een hartinfarct komen
45.
Het bloed in bloedvat C heeft
a)
een hoge bloeddruk
b)
een lage bloeddruk
46.
Hoe heet onderdeel A in deze figuur?
a)
rechterboezem
b)
linkerboezem
c)
rechterkamer
d)
linkerkamer
47.
Wel nummer geeft de hartkleppen aan?
a)
12
b)
19
c)
20
d)
4
48.
In deze maag zie je cholestrolrijke producten. Cholesterol is een
a)
eiwit
b)
vet
c)
koolhydraat
d)
zetmeel
49.
Hoe het het bloedvat dat aangegeven wordt met Q?
a)
beenslagader
b)
beenader
c)
aorta
d)
holle ader
50.
Bloedvat B is een
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
51.
Bloedvat B brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
52.
Bloedvat C brengt het bloed
a)
van het hart af
b)
naar het hart toe
53.
Bij de grote punt naar boven in de figuur van een hartslag.
a)
trekken de kamers samen
b)
trekken de boezems samen
c)
is er een hartpauze
54.
In deze afbeelding zie je een voorbeeld van
a)
leukemie
b)
spataderen
c)
hemofilie
55.
Welke figuren geven de oorzaak van spataderen aan?
a)
de bovenste rij
b)
de onderste rij
c)
geen van beide rijen
56.
Het bloed in nummer 7 is
a)
rijk aan voedingsstoffen
b)
rijk aan zuurstof
c)
arm aan voedingsstoffen
d)
arm aan koolstofdioxide
57.
In de afbeelding ontbreekt de levensfase:
a)
baby
b)
schoolkind
c)
puber
d)
adolescent
58.
Een ander woord voor eisprong is
a)
menstruatie
b)
ovulatie
c)
reïncarnatie
d)
fertilisatie
59.
Omstreeks de 14de dag van de cyclus is er een
a)
menstruatie
b)
ovulatie
c)
reïncarnatie
d)
fertilisatie
60.
In de afbeelding zie je
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
een eisprong
d)
een zaadlozing
61.
De vruchtbare dagen zijn
a)
vanaf de menstruatie
b)
vanaf de ovulatie
c)
iets voor en na de ovulatie
d)
vlak na de menstruatie
62.
In de afbeelding zie je
a)
drie eeneiïge tweelingen
b)
een drie-eiïge tweeling
c)
een drieling
d)
geen van de drie
63.
Nummer 7 wijst naar
a)
de vagina
b)
de urinebuis
c)
de baarmoeder
d)
de blaas
64.
De functie van nummer 9 is:
a)
hier ontwikkelt de foetus zich
b)
hier wordt de eicel bevrucht
c)
hier vindt de zaadlozing plaats
d)
dient als bescherming
65.
Letter R wijst naar
a)
de blaas
b)
een zaadblaasje
c)
de prostaat
d)
een teelbal
66.
Letter S wijst naar
a)
de blaas
b)
een bijbal
c)
de prostaat
d)
een teelbal
67.
De functie van nummer 7 is:
a)
vervoer van zaadcellen
b)
tijdelijk bewaren van zaadcellen
c)
maken van zaadvocht
d)
zaadcellen maken
68.
Nummer 1 wijst naar
a)
navelstreng
b)
placenta
c)
vruchtvliezen
d)
vruchtwater
69.
Nummer 3 wijst naar
a)
navelstreng
b)
placenta
c)
vruchtvliezen
d)
vruchtwater
70.
Deze fase van de bevalling heet
a)
indalen
b)
uitdrijving
c)
ontsluiting
d)
nageboorte
71.
Dit prenataal onderzoek heet
a)
echoscopie
b)
vlokkentest
c)
vruchtwaterpunctie
d)
geen van de drie
72.
Dit voorbehoedsmiddel beschermt tegen
a)
ongewenste zwangerschap
b)
soa's
c)
ongewenste zwangerschap én soa's
d)
geen van twee
73.
Deze manier van anticonceptie
a)
verhindert de rijping van een eicel
b)
verhindert het vrijkomen van zaadcellen
c)
voorkomt soa's
d)
verhindert het maken van zaadcellen
74.
Nummer 4 is een voorbeeld van
a)
bollen
b)
knollen
c)
wortelstok
d)
uitloper
75.
Nummer 6 is een voorbeeld van
a)
bollen
b)
knollen
c)
wortelstok
d)
uitloper
76.
Deze afbeelding geeft weer
a)
een menstruatiecyclus
b)
wat gebeurt na bevruchting
c)
geen van twee
77.
Nummer 4 is een voorbeeld van
a)
bollen
b)
knollen
c)
wortelstok
d)
uitloper
Reset
