wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TL3_Begrippen T7_Stevigheid en bewegen

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

beenderen die rood beenmerg bevatten en vooral voorkomen in hoofd en romp

a)

kraakbeenderen

b)

platte beenderen

c)

pijpbeenderen

d)

lijmstofbeenderen

2.

langwerpige beenderen met rood beenmerg en geel beenmerg

a)

platte beenderen

b)

kraakbeenderen

c)

lijmbeenderen

d)

pijpbeenderen

3.

organismen die op de toppen van de tenen lopen

a)

hoefgangers

b)

teengangers

c)

spitsgangers

d)

balerina's

4.

komt voor in de mergholte van pijpbeen en hierin is vet opgeslagen

a)

lijmstof

b)

geel beenmerg

c)

rood beenmerg

d)

mergholte vulling

5.

mergholte

a)

holte in platte beenderen

b)

holte in de kop van een pijpbeen

c)

holte tussen de koppen van een pijpbeen

d)

holte rondom platte beenderen

6.

vormt rode bloedcellen in platte beenderen en in de koppen van pijpbeenderen

a)

wit beenmerg

b)

rood beenmerg

c)

mergholte

d)

kraakbeen

7.

is stevig en goed buigzaam, komt bijvoorbeeld voor in de oorschelp

a)

merg

b)

kraakbeenweefsel

c)

beenweefsel

d)

kalkzouten

8.

is heel stevig en een beetje buigzaam

a)

kalkzouten

b)

kraakbeenweefsel

c)

beenweefsel

d)

lijmstof

9.

beenverbinding waarbij alleen een beweging heen en terug mogelijk is

a)

kogelgewricht

b)

scharniergewricht

c)

naadverbinding

d)

rolgewricht

10.

De meest beweeglijke beenverbinding

a)

naadverbinding

b)

flexibel gewricht

c)

kogelgewricht

d)

scharniergewricht

11.

hierdoor kan een gewricht soepel bewegen, bevindt zich tussen de kraakbeenlaagjes

a)

gewrichtssmeer

b)

gewrichtsvet

c)

gewrichtskapsel

d)

gewrichtsolie

12.

gaan slijtage tegen en hierdoor kan een gewricht soepel bewegen

a)

gewrichtsbanden

b)

gewrichtssmeer

c)

kraakbeenlaagje

d)

gewrichtskom

13.

stevig bindweefsel om een spier

a)

spierschede

b)

spierkapsel

c)

pees

d)

spiervezel

14.

spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft

a)

antegonisten

b)

antagonisten

c)

antogonisten

d)

antonisten

15.

verbinden spieren met de beenderen, ze kunnen niet samentrekken

a)

spiervezel

b)

antagonisten

c)

pezen

d)

aanhechtingsplaatsen

16.

steunweefsel, geeft stevigheid aan een weefsel

a)

bindweefsel

b)

spierweefsel

c)

celweefsel

d)

kalkzouten

17.

armstrekspier

a)

biceps

b)

triceps

18.

armbuigspier

a)

biceps

b)

triceps

19.

delen die zich samentrekken onder invloed van impulsen uit bewegingszenuwcellen

a)

spierbundels

b)

spieschedes

c)

spiercellen

d)

spiervezels

20.

stukje kraakbeen in het kniegewricht

a)

kniebeen

b)

knieschijf

c)

meniscus

21.

peesontsteking door te vaak achter elkaar dezelfde beweging maken

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

22.

ontsteking van de aanhechtingsplaats van (meestal) een elleboogspier

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

23.

blessure aan spieren die ontstaat als je je meer dan normaal hebt ingespannen

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

24.

een beschadiging van weefsel zonder dat er iets is gescheurd of gebroken

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

25.

een reactie van het lichaam op beschadiging van weefsel

a)

ontsteking

b)

kneuzing

c)

bloeduitstorting

d)

spierkramp