wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid bs 1, 2 en 3

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De bruine kleur die je krijgt als je in de zon ligt.

a)

Genotype

b)

Fenotype

2.

Je bloedgroep

a)

Genotype

b)

Fenotype

3.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

4.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

5.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

6.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het fenotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

7.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het genotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

8.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

9.

Hoeveel chromosomenparen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

0

b)

23

c)

32

d)

46

e)

64

10.

Is het genotype van alle cellen in één organisme hetzelfde?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Dat ligt aan de plek in het lichaam

d)

Dat ligt aan de leeftijd van het organisme

11.

Zijn de volgende uitspraken juist?

1 Bij gewone celdeling deelt een moedercel zich in twee dochtercellen die hetzelfde zijn als de moedercel.

2 Het genotype komt tot stand op het moment van geboorte.

a)

1 en 2 zijn juist

b)

1 en 2 zijn onjuist

c)

1 is juist, 2 is onjuist

d)

1 is onjuist, 2 is juist

12.
Een eeneiige tweeling is niet identiek.
a)
waar
b)
niet waar
13.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

14.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

15.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

16.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
18.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

19.

Een recessief gen komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

20.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief