wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tekstverbanden en signaalwoorden

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Tegenstellend

d)

Toelichtend

2.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Chronologisch

d)

Opsommend

3.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bijvoorbeeld'?

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Chronologisch

d)

Opsommend

4.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Toelichtend

b)

Opsommend

c)

Chronologisch

d)

Tegenstellend

5.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Tegenstellend

b)

Opsommend

c)

Chronologisch

d)

Toelichtend

6.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

7.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

8.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

toelichtend

b)

tegenstellend

c)

chronologisch

d)

opsommend

9.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ik ben geboren in de 20e eeuw. Drie jaren later, in de 21e eeuw, is mijn broertje geboren.

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

10.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

11.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


De sportdag was goed georganiseerd. Zo werd er genoeg water uitgedeeld en we hadden genoeg rustmomenten.

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

12.

Welk signaalwoord hoort er bij het opsommend tekstverband?

a)

ook

b)

eerst

c)

maar

d)

doordat

13.

Welk signaalwoord hoort er bij het tegenstellend tekstverband?

a)

maar

b)

dan

c)

tevens

d)

als

14.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsommend tekstverband aan.

a)

juist

b)

onjuist

15.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

c)

Juist, deze, hij, die.

d)

Geen van allen.

16.

Welk verband hoort bij: bijvoorbeeld, zo, zoals?

a)

tegenstellend

b)

toelichtend

c)

chronologisch

d)

opsommend