wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverorging 1, 2, 3 2BK

Total questions: 80

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Het gedicht is prachtig.

a)

prachtig

b)

het

c)

gedicht

d)

is

2.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Ik hou erg van boeken.

a)

Ik

b)

boeken

c)

hou

d)

erg

3.

Klik het zelfstandig naamwoord aan in onderstaande zin:


Piet loopt daar.

a)

Piet

b)

loopt

c)

daar

4.

Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Vader is vijf jaar voorzitter geweest.

a)

vader

b)

voorzitter

c)

vader en voorzitter

d)

vijf jaar en vader

5.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Moeder gaat koekjes bakken.

a)

bakken en koekjes

b)

moeder en bakken

c)

moeder en koekjes

6.
Ik koop een bal.
a)
ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
7.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


De aardige jongen redde een straatkatje en verzorgde het dier goed.

a)

aardige, jongen, dier

b)

jongen, straatkatje, dier

c)

aardige, jongen, straatkatje

d)

jongen, verzorgde, dier, straatkatje

8.

Klik het zelfstandig naamwoord/ de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


Peter en Sanna hebben de luistertoets goed geoefend.

a)

Peter, Sanna

b)

Peter, Sanna, luistertoets

c)

Peter, Sanna, luistertoets, goed

d)

Peter, Sanna, luistertoets, geoefend

9.

Klik de zelfstandige naamwoorden aan in onderstaande zin:


In de Hortensiastraat staan veel hortensia's in de voortuinen.

a)

Hortensiastraat, hortensia's

b)

hortensia's, voortuinen

c)

Hortensiastraat, hortensia's, voortuinen

d)

Hortensiastraat, voortuinen

10.
de
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
11.
fiets
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
12.
grote
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
13.
het
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
14.
een
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
15.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een cadeau is eergisteren door mijn moeder aan Kees gegeven.

a)

een

b)

cadeau

c)

moeder

d)

Kees

16.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Wie kon het glas limonade vanochtend niet drinken?

a)

wie

b)

kon

c)

het

d)

glas

17.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een barbecue wilden ze verleden week kopen voor die jarige collega.

a)

een

b)

ze

c)

voor

d)

die

18.

Wat is het lidwoord in deze zin?

De heer Hoogveld moet lang ambtenaar zijn geweest.

a)

de

b)

heer

c)

zijn

d)

geweest

19.

De of het?

... staatsburger

a)

de

b)

het

20.

De of het?

... structuur

a)

de

b)

het

21.

De of het?

... contrast

a)

de

b)

het

22.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De directeur stemde in met het ontslag.

a)

de

b)

directeur

c)

directeur en ontslag

d)

ontslag

23.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De meisjes waren trots op hun mooie rapporten.

a)

meisjes

b)

mooie

c)

rapporten

d)

meisjes en mooie

e)

meisjes en rapporten

24.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De moeder heeft alsnog gehuild om haar verloren ring.

a)

de

b)

moeder

c)

moeder en verloren

d)

moeder en ring

e)

ring

25.

Klopt de zin?

De jongens wandelde door het park.

a)

Fout

b)

Goed

26.

Op school worden de leerlingen getrakteerd op een ijsje.

a)

fout

b)

goed

27.

De politie heeft de inbreker opgepakt.

a)

goed

b)

fout

28.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
29.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
30.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
31.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
32.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
33.
Een samengestelde zin heeft ....... persoonsvormen.
a)
één
b)
twee
c)
twee of meer
d)
geen
34.
Is dit een enkelvoudige of een samengestelde zin?
Hermelien tovert een konijn uit haar hoed.
a)
samengesteld
b)
enkelvoudig
35.
Is dit een enkelvoudige of samengestelde zin?
Ron wil niet naar huis, want hij vindt het zo gezellig op Zweinstein.
a)
Enkelvoudige zin
b)
Samengesteld zin
36.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
37.
Zoek het voegwoord in deze zin.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
a)
uit
b)
met
c)
en
d)
naar
38.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

39.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

40.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
41.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
42.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
43.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
44.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
45.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
46.
Elke dag wandelde Lutje met haar hond Foksie naar het park om hem daar te laten ravotten met andere honden.
Het onderwerp in deze zin is...
a)
haar hond Foksie
b)
Foksie
c)
Lutje
d)
andere honden
47.
Terwijl mama het avondeten bereidt, leest papa in de woonkamer de krant.
De persoonsvorm is deze zin is...
a)
bereidt
b)
leest
48.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

49.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

50.
melden
De leerling ............ zich gisteren bij de receptie.
a)
melden
b)
melde
c)
meldde
d)
.meldt
51.
maken
Alan en Fay hebben al hun huiswerk..........
a)
gemaaktt
b)
gemaakd
c)
maakte
d)
gemaakt
52.
kopen
Lisa heeft nieuwe schoenen  ........
a)
gekopen
b)
kocht
c)
gekocht
d)
kochdt
53.
werken
Yara ........ graag alleen.
a)
werkdde
b)
werkd
c)
werkt
d)
work
54.
bakken
De ............... frietjes smaakten goed.
a)
gebakke
b)
gebakte
c)
gebakken
d)
gebakten
55.
sturen
Ik heb een mailtje ............... naar de Bossche Vakschool.
a)
gestuurt
b)
gestuurd
c)
stuurde
d)
sturend
56.
aandurven
De docent heeft het niet meer ...........om er iets te zeggen.
a)
aangedurfd
b)
aangedurft
c)
durfde aan
d)
gedurfd
57.
zoeken
De ............ crimineel werd gearresteerd door de politie.
a)
gezoekte
b)
gezocht
c)
gezochten
d)
gezochte
58.
afsnijden
Hans ............ elke dag een stukje worst .....
a)
snijdt af
b)
sneed af
c)
snijd af
d)
snijdde
59.
knoeien
Het broertje van Chadi heeft op de tafel.............
a)
geknoeid
b)
geknoeidde
c)
knoeide
d)
knoeien
60.
struikelen
Hans Koevoet ...........over de  boeken en valt hard op de bank op zijn stuitje.
a)
struikelt
b)
struikeld
c)
struikelden
d)
gestruikeld
61.
tekenen
Marieke ........ vorige week een prachtige Pokemon.
a)
tekent
b)
tekenend
c)
tekentte
d)
tekende
62.
breken
Vorig jaar en dit jaar ........ Bryan zijn arm.
a)
breekt
b)
brak
c)
breekd
d)
brakden
63.
vallen
Andy ..........soms van zijn fiets.
a)
valde
b)
valt
c)
viel
d)
vallen
64.

vergeten

Sjonnie Strooizout .................... ineens zijn mop.

a)
vergeet
b)

vergat

c)
vergeette
d)
vergatt
65.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

66.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
Ik luister op maandagochtend graag naar Studio Brussel.
b)
Ik luister op maandagochtend graag naar studio brussel.
c)
Ik luister op Maandagochtend graag naar Studio Brussel.
d)
Ik luister op Maandagochtend graag naar studio brussel.
67.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

68.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

69.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

70.

Wanneer schrijf je een hoofdletter?

a)

Begin van een zin

b)

Begin van een citaat

c)

Na een ,

d)

Na een ;

71.

Wat schrijf je met een hoofdletter?

a)

Windrichtingen

b)

Talen en dialecten

c)

Namen van volken

d)

(Afleidingen van) aardrijkskundige namen

72.

Hoofdletter?

a)

anna

b)

talen

c)

werken

d)

fiets

73.

Hoofdletter?

a)

zingen

b)

antwoorden

c)

appel

d)

tweede wereldoorlog

74.

Hoofdletter?

a)

groot-brittanië

b)

krant

c)

feestdag

d)

water

75.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

maria kijkt met kerstmis the grugde

a)

maria

b)

kijkt

c)

met

d)

kertsmis

e)

the grudge

76.

Hoofdletter?

a)

polen

b)

afleiding

c)

west-vlaanderen

d)

vredestraat

77.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

78.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

79.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

80.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar