wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 3

Total questions: 24

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Waar is hier sprake van directe ruil?

a)

je koopt een boek

b)

je ruilt je boek voor een tijdschrift

c)

Je betaalt 18 euro bij de kapper

d)

je geeft een taart aan je oma omdat ze jou een zak snoep geeft

2.

OP de trui die je graag wil in de etalage hangt een prijskaartje met € 80,-

a)

geld als ruilmiddel

b)

geld als rekenmiddel

c)

geld als spaarmiddel

3.

Bij de bakker koop je een lekker croissantje

a)

geld als ruilmiddel

b)

geld als rekenmiddel

c)

geld als spaarmiddel

4.

Je verjaardag geld bewaar je in een potje onder je bed tot je een nieuwe fiets kunt kopen.

a)

geld als ruilmiddel

b)

geld als rekenmiddel

c)

geld als spaarmiddel

5.

Als je 50 euro pint bij een pinautomaat dan:

a)

stijgt je chartale geld en daalt je girale geld

b)

dan stijgt je girale geld en daalt het chartale geld

c)

je chartale geld blijft gelijk en je girale geld daalt

6.

Nieuwe saldo = oude saldo + ontvangsten en - de uitgaven

a)

juist

b)

onjuist

7.

Een creditcard kun je gebruiken.......

a)

vanaf dat je een betaalrekening hebt

b)

Vanaf je 16e

c)

vanaf je 18e

d)

vanaf je 21e

8.

Welke risico's zijn er als je betaalt met een creditcard?

a)

je aankopen zijn dan altijd verzekerd

b)

je kan geld uitgeven dat je niet hebt

c)

je geld wordt meteen van je rekening afgeschreven

d)

je betaalt een maand later pas de rekening

9.

Als ik 18 ben dan koop ik een auto

a)

sparen voor een doel

b)

sparen uit voorzorg

c)

sparen voor de rente

10.

Mijn scooter is al een oudje en reparaties moet ik zelf betalen

a)

sparen voor een doel

b)

sparen uit voorzorg

c)

sparen voor de rente

11.

Ik wil slapend rijk worden dus ik laat mijn geld lekker op mijn spaarrekening staan

a)

sparen voor een doel

b)

sparen uit voorzorg

c)

sparen voor de rente

12.

Welke rente ontvang je op een spaarrekening bij de Rabobank?

a)

variabele rente

b)

vaste rente

13.

Hier kun je je geld niet zomaar opnemen maar staat het vast voor een aantal jaren

a)

spaarrekening

b)

spaardeposito

14.

Als je geld op je spaarrekening zet krijg je rente tegen een rentepercentage. Deze rente ontvang je

a)

aan het einde van elke week

b)

aan het einde van elke maand

c)

aan het einde van elk jaar

15.

Omdat je je portemonnee niet bij je hebt leen je even een euro voor een broodje in de corner

a)

tijdelijk geldtekort

b)

je wil je aankoop niet uitstellen door er eerst voor te sparen

c)

je hebt dringend geld nodig omdat je iets moet betalen

16.

Je auto is kapot en moet gerepareerd worden voordat je verder kunt rijden

a)

tijdelijk geldtekort

b)

je wil je aankoop niet uitstellen door er eerst voor te sparen

c)

je hebt dringend geld nodig omdat je iets moet betalen

17.

Tijdens de lockdown koop je een nieuwe tv omdat je zoveel thuis bent. Je wil niet wachten omdat je er nu van wil genieten.

a)

tijdelijk geldtekort

b)

je wil je aankoop niet uitstellen door er eerst voor te sparen

c)

je hebt dringend geld nodig omdat je iets moet betalen

18.

Je krijgt een bedrag dat je in een vast aantal termijnen moet terug betalen

a)

persoonlijke lening

b)

doorlopend krediet

c)

salariskrediet

d)

koop op afbetaling

19.

je mag telkens tot een maximum bedrag lenen. Als je hebt afgelost mag je meteen opnieuw lenen

a)

persoonlijke lening

b)

doorlopend krediet

c)

salariskrediet

d)

koop op afbetaling

20.

Als je meerderjarig bent mag je meer geld uitlenen dan er op je rekening staat. je kan dan rood staan

a)

persoonlijke lening

b)

doorlopend krediet

c)

salariskrediet

d)

koop op afbetaling

21.

Je betaalt je nieuwe smartphone in een aantal termijnen af

a)

persoonlijke lening

b)

doorlopend krediet

c)

salariskrediet

d)

koop op afbetaling

22.

Je leent 3.000 en dat moet je terug betalen

a)

aflossen

b)

rente

c)

kredietkosten

23.

Je leent 3.000 en in 2 jaar betaal je 3.450 euro terug aan de bank dit komt door de

a)

aflossing

b)

rente

24.

Je leent 3.000 en in 2 jaar betaal je 3.450 euro terug. Het bedrag dat je 'teveel' betaalt zijn de

a)

aflossen

b)

rente

c)

kredietkosten