wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3L week kerst H1,2,3 1BK

Total questions: 65

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.

Als je een tekst zoekend leest, kijk je naar:

a)

anders gedrukte woorden

b)

tussenkopjes

c)

geeft antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?

d)

opvallende tekens

e)

je leest de eerste alinea

3.

In de volgende zin zijn de voorbeelden onderstreept. Noteer het woord waar het voorbeelden van zijn.


Er zijn veel verschillende soorten balsporten. Bijvoorbeeld: handbal, volleybal en tennis.

(a)  

4.

wat betekent het woord:


Enorm

a)

misschien

b)

denken dat het zo zal zijn

c)

heel groot, heel erg, heel veel

d)

heel klein

5.

wat betekent het woord:


waarschijnlijk

a)

zeker weten

b)

denken dat het zo zal zijn

c)

heel groot, heel erg, heel veel

d)

heel klein

6.

Wat betekent de volgende uitdrukking:


Hij praat aan de lopende band.

a)

Hij wist niet hoe hij moest reageren

b)

Hij werkt erg hard

c)

Hij praat aan een stuk door

d)

Hij zegt maar wat

7.

In de volgende zin zijn de voorbeelden onderstreept. Waar zijn het voorbeelden van?


Er zijn veel lieve kinderen op school, zoals: Nino, Hodan, Tess en Luca.

a)

Nino, Hodan, Tess en Luca.

b)

Lieve kinderen op school

8.

Millan droomt dat hij een top-voetballer is.

Wat is het onderwerp ?

a)

Millan

b)

droomt

c)

dat hij

d)

een topvoetballer is

9.

In onze tuin staat een grote stenen tafel.

Wat is het onderwerp ?

a)

In onze tuin

b)

staat

c)

een grote stenen tafel

10.

Camille slaapt in een kamertje in de toren.

Wat is het onderwerp ?

a)

Camille

b)

slaapt

c)

in een kamertje

d)

in de toren

11.

De oma van Jens houdt van schaatsen.

Wat is het onderwerp ?

a)

De oma van Jens

b)

houdt

c)

van schaatsen

12.

Er staan elf jongens op het voetbalveld.

Wat is het onderwerp ?

a)

Er

b)

elf jongens

c)

op het voetbalveld

d)

staan

13.

De meester legt de oefeningen goed uit.

Wat is het onderwerp ?

a)

De meester

b)

legt

c)

de oefening

d)

goed uit

14.

Soms steekt dat kleine meisje haar tong uit.

Wat is het onderwerp ?

a)

Soms

b)

steekt

c)

dat kleine meisje

d)

haar tong

e)

uit

15.

De kindjes van 3B spelen veel met de bal.

Wat is het onderwerp ?

a)

De kindjes van 3B

b)

spelen

c)

veel

d)

met de bal

16.

In het tweede leerjaar leerden wij de tafels.

Wat is het onderwerp ?

a)

In het tweede leerjaar

b)

leerden

c)

wij

d)

de tafels

17.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
18.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

19.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

20.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

21.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

22.

Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets

23.

Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

24.

Wat is de pv: Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?

a)

de honden

b)

vandaag

c)

nog

d)

Ga

25.

Hoe vind je het onderwerp?

Wie/wat+...

(a)  

26.

De persoonsvorm vind je door de zin vragend te maken. Dit noem je de...

a)

tijdproef

b)

vraagproef

27.

Maak de zin vragend:


Paul en Jan hebben al heel lang geen voetbal meer gespeeld.

(a)  

28.

Wat is de ik-vorm?

a)

Dat is de hoofdpersoon in een verhaal.

b)

Dat is het woord dat achter 'ik' staat in een zin.

c)

Dat is het werkwoord dat achter 'ik' kan staan in een zin in de tegenwoordige tijd.

d)

Dat is de stam van een werkwoord.

e)

Dat is het werkwoord dat voor 'ik' kan staan in een zin in de tegenwoordige tijd.

29.

In welke zin is de ik-vorm juist geschreven?

a)

Ik wedt dat hij morgen ziek thuis is!

b)

Hij loopt sneller dan de rest van zijn klas naar het lokaal.

c)

Mijn vader is de beste!

d)

Ik verbied mijn broertje mijn kamer binnen te komen!

30.

Waarop eindigt de ik-vorm nooit?

a)

op een v

b)

op een k

c)

op een z

d)

op een t

31.

De ik-vorm eindigt nooit op twee dezelfde medeklinkers.

a)

Waar

b)

Niet waar

32.

Een werkwoord kan alleen in de ik-vorm staan als er een 'ik' in de zin staat.

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Wat is de ik-vorm van lopen?

(a)  

34.

Wat is de ik-vorm van wonen?

(a)  

35.

Wat is de ik-vorm van praten? (Denk aan wonen)

(a)  

36.

Wat is de ik-vorm van lezen?

(a)  

37.

Wat is de ik-vorm van kiezen? (Denk aan lezen)

(a)  

38.

Wat is de ik-vorm van fietsen?

(a)  

39.

Wat is de ik-vorm van raken?

(a)  

40.

Wat is de ik-vorm van lopen?

(a)  

41.

Hij ... (kunnen) heel goed voetballen.

a)

kan

b)

kunnen

42.

Hij ... (zijn) een leuke jongen.

a)

zijn

b)

is

c)

ben

d)

bent

43.

Wij ... (hebben) drie honden.

a)

hebben

b)

heb

c)

hebt

44.

Zij ... (willen) naar de zee rijden.

a)

wil

b)

willen

45.

Ik ... (zullen) zal blij zijn als ik naar school mag.

a)

zal

b)

zullen

46.

Mevrouw Jozefien ... (zijn) thuis.

a)

ben

b)

bent

c)

is

d)

zijn

47.

Op woensdag ... (kunnen) wij 10 kilometer lopen.

a)

kunnen

b)

kan

48.

' S morgens ... (zijn) ik nooit moe.

a)

zijn

b)

is

c)

bent

d)

ben

49.

... (hebben) hij honger?

a)

Heb

b)

Hebt

c)

Hebben

d)

Heeft

50.

In welke zin is het werkwoord lezen niet als persoonsvorm gebruikt?


A. Ik heb dat boek gelezen.

B. Ik lees dat boek.

a)

Zin A

b)

Zin B

51.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

52.
Wat is een alinea?
a)
een tussenkopje
b)
een inleiding
c)
een stukje tekst dat bij elkaar hoort
d)
een titel
53.
Wat is een synoniem
a)
Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis.
b)
een woord die je fonetisch schrijft
c)
1 woord met 2 verschillende betekenissen
54.

Waar staat de bron van een tekst?

a)

Bovenaan naast de titel

b)

Onderaan de tekst

c)

Dat staat nooit bij de tekst

55.
Het onderwerp is een hele zin
a)
Juist
b)
Onjuist
56.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
57.

Wat is de bron van de tekst?

a)

rood met witte strepen

b)

www.artsenzondergrenzen.nl

c)

Artsen zonder Grenzen

d)

Tekst 1

58.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

59.

Ik denk dat ik een voldoende ga halen voor de toets.

a)

Zeker weten!

b)

Misschien...

c)

Nee, echt niet.

60.

De bron van de tekst geeft informatie over

a)

de schrijver van de tekst

b)

de herkomst van de tekst

c)

de plaatsingsdatum ofwel actualiteit

d)

al het bovenstaande staat in de bron

61.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
62.

Maak de zin af. De persoonsvorm is altijd...

a)

een woord

b)

een werkwoord

c)

een persoon

d)

een zelfstandig naamwoord

63.

De persoonsvorm heeft een soort relatie met...

a)

een lidwoord

b)

Anja

c)

een zelfstandig naamwoord

d)

het onderwerp

64.

Maak de zin af: Als het onderwerp enkelvoud is,

a)

dan is de persoonsvorm ook enkelvoud

b)

dan is de persoonsvorm meervoud

65.

De persoonsvorm vind je via de vraagproef. Wat is dat?

a)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste woord.

b)

Maak de zin vragend en kies dan de eerste persoon.

c)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste werkwoord.