wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3L Kerst H1,2 4BKGT

Total questions: 65

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

2.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

3.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband voorbeeld?

a)

zo

b)

net als

c)

omdat

d)

bovendien

4.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
5.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

6.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

7.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

8.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Oorzaak-Gevolg

c)

Voorbeeld

d)

Tegenstelling

9.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Van te veel uv-straling kun je kanker krijgen. Daarom moet je je goed insmeren.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

10.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.


Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

11.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijking

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Tijdsvolgorde

12.

Welk tekstverband zie je tussen de delen van deze zinnen?


Homer heeft een goed resultaat, omdat hij hard geleerd heeft.

a)

Opsomming

b)

Vergelijking

c)

Tijdsvolgorde

d)

Oorzaak-gevolg

13.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

14.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

15.

Doordat het regent, is mijn jas nat.

a)

Dit is een reden

b)

Dit is een oorzaak-gevolg verband

16.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

17.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

18.

Wat geeft een doel-middelverband aan?

a)

onder welke voorwaarden iets gebeurt

b)

de andere kant van de zaak

c)

welk middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken

d)

een verkorte weergave van de informatie uit de tekst

19.
Eén van de opties hieronder is geen tekstdoel. Welke?
a)
Informeren
b)
Instructie geven
c)
Verwijzen
d)
Overtuigen
20.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
21.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
22.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
23.

Wat is de woordraadstrategie?

a)

Hiermee kun je woorden leren kennen.

b)

Hiermee kun je woorden beter onthouden.

c)

Hiermee kun je de betekenis van woorden uit de tekst ontdekken.

d)

Hiermee kun je woorden leren onthouden.

24.
Waaraan kun je zien of een tekst betrouwbaar is?
a)
Lettertype
b)
Datum
c)
Woonplaats van de schrijver
d)
Hoeveelheid woorden
25.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

26.

Wat is het onderwerp van een biografie over Poetin?

a)

Dat weet je niet zonder het boek gelezen te hebben.

b)

Een boek heeft nooit een onderwerp.

c)

Poetin.

d)

Poetin zoals hij het zelf zou vertellen.

27.

Wat is de mogelijke hoofdgedachte van een tekst over schoonmaakmiddelen?

a)

Ook een kast vol met jaren oude schoonmaakmiddelen?

b)

De meeste schoonmaakmiddelen zijn eigenlijk overbodig.

c)

Veel mensen weten niet dat je de schimmel in je badkamer met azijn kunt wegkrijgen.

28.

Het belangrijkste doel van een brief van de NS over tariefswijzigingen is ...

a)

informeren

b)

instrueren

c)

overhalen

d)

overtuigen

29.

Teksten over hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel hebben dezelfde hoofdgedachte.

a)

Dat zou kunnen, maar hoeft niet.

b)

Ja, want de teksten willen hetzelfde bereiken.

c)

Nee, elke tekst is verschillend en heeft dus een andere hoofdgedachte.

30.

Welke uitspraken zijn juist?

De informatie in een tekst is betrouwbaarder als....

a)

de bron belang heeft bij een bepaalde voorstelling van zaken.

b)

de bron van de tekst bekend is.

c)

de bron verstand heeft van het onderwerp.

d)

de informatie in elk geval ouder is dan één week.

e)

de informatie te controleren is.

31.

Deze korte test was;

a)

makkelijk, omdat ik goed opgelet heb tijdens de les.

b)

moeilijk, omdat ik niet oplet in de les

32.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

33.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

34.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

35.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

36.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

37.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
38.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
39.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
40.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
41.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (downloaden) niet alleen, hij updadet ook altijd.

a)

downloadt

b)

download

c)

downloaded

42.

Vul de persoonsvorm tt in.

De leerling (overleggen) met het groepje over de opdracht van Nederlands.

a)

overlegd

b)

overlegt

c)

overleggen

43.

Vul de persoonsvorm tt in.

Marcel (vinden) de opdracht leuk.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

44.

Vul de persoonsvorm tt in.

Marcel (vinden) de opdracht leuk.

a)

vinden

b)

vindt

c)

vind

45.

Vul de persoonsvorm tt in.

Ik (rijden) vandaag met de fiets naar huis.

a)

rijd

b)

rijden

c)

rijdt

46.

Vul de persoonsvorm tt in.

Hij (worden) altijd weggebracht als het regent.

a)

word

b)

wordt

c)

worden

47.

Hoeveel lidwoorden kennen we in het Nederlands?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

48.

Welk woord moet met een hoofdletter?

Mijn moeder zei: 'je moet in juni nog even goed je best doen.'

(a)  

49.

Wat is het voegwoord in de volgende zin?

Het vervallen gebouw wordt gerestaureerd, zodat het gebouw niet instort.

(a)  

50.

Welke woorden schrijf je altijd met een hoofdletter? Je mag meerdere antwoorden kiezen.

a)

zondag

b)

juni

c)

haarlem

d)

noord-holland

e)

zuiden

51.

Welke zin is juist EN staat in de juiste woordvolgorde?

a)

Ik vind het lastig, dat ik kan hem steeds niet te pakken krijgen.

b)

Ik vind lastig, dat ik hem steeds niet kan te pakken krijgen.

c)

Ik vind het lastig, dat ik hem steeds niet te pakken kan krijgen.

d)

Ik vind lastig, dat ik hem niet steeds te pakken krijgen kan.

52.

Welke zin is juist EN staat in de juiste woordvolgorde?

a)

Zij hebben zo gemist om samen gezellig te borrelen.

b)

Zij hebben het zo gemist om samen gezellig te borrelen

c)

Zij hebben zo gemist dat ze borrelen gezellig samen.

d)

Zij hebben het zo gemist samen om te borrelen

53.

Welke zin is juist EN staat in de juiste woordvolgorde?

a)

Komt het er in het kort op neer, dat hij gewoon niet aardig is.

b)

Het komt er in het kort op neer, dat hij is gewoon niet aardig.

c)

Het komt in het kort op neer, dat hij is gewoon niet aardig.

d)

Het komt er in het kort op neer, dat hij gewoon niet aardig is.

54.

Welke zin is juist EN staat in de juiste woordvolgorde?

a)

Je mag echt wel vertrouwen stellen in zijn deskundigheid als leider.

b)

Je mag wel echt vertrouwen instellen in zijn deskundigheid als leider.

c)

Je mag echt wel vertrouwen stelt in zijn deskundigheid als leider.

d)

Je mag wel echt vertrouwen in zijn deskundigheid als leider stelt.

55.

Welke zin is juist EN staat in de juiste woordvolgorde?

a)

Ik zei, dat ik had maar kleine aandelen in deze kwestie.

b)

Ik zei, dat ik maar kleine aandelen had in deze kwestie.

c)

Ik zei, dat ik maar een klein aandeel had in deze kwestie.

d)

Ik zei, dat ik alleen een klein aandeel heb in deze kwestie.

56.

Wat is juist geschreven?

a)

biologiedocent

b)

biologie docent

57.

Wat is juist geschreven?

a)

vijf en twintig

b)

vijfen twintig

c)

vijfentwintig

58.

Wat is juist geschreven?

a)

oversteken

b)

over steken

59.

Wat is juist geschreven?

a)

herfst vakantie

b)

herfstvakantie

60.

Wat is juist geschreven?

a)

afzwemmen

b)

af zwemmen

61.

Samenstellingen die bestaan uit twee of meer woorden schrijf je los.

a)

Juist

b)

Onjuist

62.

Samengestelde aardrijkskundige namen schrijf je los.

a)

Juist

b)

Onjuist

63.

Wat is juist?

a)

tweemiljoen

b)

twee miljoen

64.

Dit is nu eenmaal de huidige ... .

a)

stand vanzaken

b)

standvanzaken

c)

stand van zaken

65.

Die broodjes zijn lekker ... .

a)

krokantgebakken

b)

krokant gebakken