wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordenschat h1-6 A2

Total questions: 24

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

zo arm als een .....

a)

leeuw

b)

rad

c)

spin

d)

kerkrat

2.

zo dood als een......

a)

reiger

b)

pier

c)

pierlala

d)

egel

3.

heel vies

a)

zo vies als een vogel

b)

zo vies als een pauw

c)

zo vies als een tor

d)

zo vies als een hoentje

e)

zo vies als een varken

4.

De jurk van Maxima lijkt net een aardappelzak.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

d)

oude naamval

5.

Als koning Willem-Alexander een feestje geeft voor de 18e verjaardag van zijn dochter krijgt hij meer kritiek dan dat de buurman dit zou doen.

a)

Van een mug een olifant maken.

b)

door schade en schande

c)

hoge bomen vangen veel wind

d)

buigen of barsten

6.

Kroonprinses Amalia lijkt sprekend op haar vader.

a)

een heitje voor een karweitje

b)

over koetjes en kalfjes

c)

achilleshiel

d)

een aardje naar zijn vaartje

7.

Oma kookt elke dag voor haar buurvrouw de lekkerste gerechten zonder dat ze daar ook maar een cent voor krijgt.

a)

in gebreke gebleven

b)

een barmhartige Samaritaan

c)

een odysee

d)

sisyfusarbeid

8.

Bassie is erg geschokt en stomverbaasd dat Adriaantje een tv heeft gestolen bij de Mediamarkt.

a)

een Pyrrhus-overwinning

b)

de haren rijzen je te berde

c)

Te land, ter zee en in de lucht

d)

ter ontnuchtering

9.

De discussie over de serie gebeurt aan de hand van recensies. Vervang de voorzetseluitdrukking door één voorzetsel.

a)

door

b)

met

c)

uit

d)

in

10.

Bij een metafoor is er een beeld en een object.

a)

juist

b)

onjuist

11.

werkwoorden kunnen een metafoor zijn.

a)

juist

b)

onjuist

12.

Het schip danste op de golven.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

13.

Zij won goud op de sprint

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

14.

Slochteren levert de regering veel geld op.

a)

personificatie

b)

metonymie

c)

vergelijking

d)

metafoor

15.

Het hele hotel werd ziek.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

vergelijking

d)

personificatie

16.

De docent moest voor ze naar huis gingen nog even de neuzen tellen.

a)

metafoor

b)

metonymie

c)

personificatie

d)

vergelijking

17.

Beeldspraak die niet berust op een vergelijking maar op een ander verband noemen we:

a)

metafoor

b)

vergelijking

c)

metonymie

d)

personificatie

18.

Welke vorm van beeldspraak zie je hier?

a)

Een metafoor

b)

Een vergelijking

c)

Een personificatie

19.

Hij lacht als een boer die kiespijn heeft.

a)

metafoor

b)

vergelijking

c)

personificatie

20.

De vijand kwam als een dief in de nacht.

a)

metafoor

b)

vergelijking

c)

personificatie

21.

De wind fluit door de takken.

a)

personificatie

b)

vergelijking

c)

metafoor

22.

Het bankstel zuchtte, toen mijn buurvrouw erop ging zitten.

a)

metafoor

b)

vergelijking

c)

personificatie

23.

's Nachts stond er een zilveren sikkel aan de hemel.

a)

Metafoor

b)

Vergelijking

c)

Metonymie

d)

Synesthesie

24.

Hij vroeg de ouders de hand van hun dochter.

a)

Metoniem

b)

Personificatie

c)

Vergelijking

d)

Metafoor