NEW
Font size
WorksheetsSterke werkwoorden met a
Total questions: 8
Worksheet time: 4mins
Wanneer is een werkwoord sterk?
als het (in het Nederlands) van klank verandert in de verleden tijd
als het (in het Nederlands) van klank verandert in de tegenwoordige tijd
als het (in het Nederlands) NIET van klank verandert in de verleden tijd
als het (in het Nederlands) NIET van klank verandert in de tegenwoordige tijd
Is dit werkwoord sterk of zwak?
lassen (laten)
sterk (verandert van klank in de verleden tijd)
zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)
Is dit werkwoord sterk of zwak?
schlafen (slapen)
sterk (verandert van klank in de verleden tijd)
zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)
Is dit werkwoord sterk of zwak?
warten (wachten)
sterk (verandert van klank in de verleden tijd)
zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)
Is dit werkwoord sterk of zwak?
fallen (vallen)
sterk (verandert van klank in de verleden tijd)
zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)
Welke werkwoordsvorm past in de zin?
Du ........... immer deine Hausaufgaben! (machen)
Jij maakt altijd je huiswerk!
mache
mächst
machst
macht
Welke werkwoordsvorm past in de zin?
Ihr ............. schweren Einkaufstaschen. (tragen)
Jullie dragen zware boodschappentassen.
tragt
tragen
trägt
trage
Welke werkwoordsvorm past in de zin?
Der Junge ...... nach Hause. (fahren)
De jongen rijdt naar huis.
fahre
fahrt
fahren
fährt
