wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Sterke werkwoorden met a

Total questions: 8

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer is een werkwoord sterk?

a)

als het (in het Nederlands) van klank verandert in de verleden tijd

b)

als het (in het Nederlands) van klank verandert in de tegenwoordige tijd

c)

als het (in het Nederlands) NIET van klank verandert in de verleden tijd

d)

als het (in het Nederlands) NIET van klank verandert in de tegenwoordige tijd

2.

Is dit werkwoord sterk of zwak?

lassen (laten)

a)

sterk (verandert van klank in de verleden tijd)

b)

zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)

3.

Is dit werkwoord sterk of zwak?

schlafen (slapen)

a)

sterk (verandert van klank in de verleden tijd)

b)

zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)

4.

Is dit werkwoord sterk of zwak?

warten (wachten)

a)

sterk (verandert van klank in de verleden tijd)

b)

zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)

5.

Is dit werkwoord sterk of zwak?

fallen (vallen)

a)

sterk (verandert van klank in de verleden tijd)

b)

zwak (verandert niet van klank in de verleden tijd)

6.

Welke werkwoordsvorm past in de zin?

Du ........... immer deine Hausaufgaben! (machen)

Jij maakt altijd je huiswerk!

a)

mache

b)

mächst

c)

machst

d)

macht

7.

Welke werkwoordsvorm past in de zin?

Ihr ............. schweren Einkaufstaschen. (tragen)

Jullie dragen zware boodschappentassen.

a)

tragt

b)

tragen

c)

trägt

d)

trage

8.

Welke werkwoordsvorm past in de zin?

Der Junge ...... nach Hause. (fahren)

De jongen rijdt naar huis.

a)

fahre

b)

fahrt

c)

fahren

d)

fährt