wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

regeling & gedrag

Total questions: 50

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.
Taaislijmziekte is een ziekte waarbij slijm dat in het lichaam wordt gemaakt, abnormaal dik en taai is. Dit veroorzaakt problemen in verschillende orgaanstelsels.
Bij veel mensen met taaislijmziekte werkt de alvleesklier niet goed. Dit kan een vorm van suikerziekte tot gevolg hebben. De alvleesklier maakt dan niet voldoende hormonen voor het regelen van het glucosegehalte van het bloed.
Hoe heten deze hormonen?
a)
adrenaline en glucagon
b)
adrenaline en insuline
c)
glucagon en insuline
2.

Uit welke delen bestaat het centrale zenuwstelsel?

a)

Alle zenuwcellen van het lichaam

b)

De hersenen en het ruggenmerg

c)

Alle zintuigen van het lichaam

d)

Alle zenuwcellen en spieren van het lichaam

3.

Het hartritme wordt ook beïnvloed door de hoeveelheid adrenaline in het bloed.

Als je bijvoorbeeld schrikt, wordt er meer adrenaline aan het bloed afgegeven. Hierdoor gaat het hart sneller kloppen.


Door welke klier of klieren wordt adrenaline gemaakt?

a)

door de bijnieren

b)

door de hypofyse

c)

door de schildklier

d)

door de alvleesklier

4.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

5.
Welke weg leggen impulsen af bij een reflexboog?
a)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->grote hersenen->schakelcel_.bewegingszenuwcel
b)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->hersenstam ->schakelcel_.bewegingszenuwcel
c)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->bewegingszenuwcel
6.
Hoe heet de klier die de stofwisseling / groei en ontwikkeling beïnvloed?
a)
Hypofyse
b)
Alvleesklier
c)
Eierstokken
d)
Schildklier
7.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
8.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
9.
Een uitloper die een impuls van een zenuwcel af geleid noemen we een:
a)
Dendriet.
b)
Axon.
c)
Synaps.
d)
Neuron.
10.
De witte kleur van de witte stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van motorische en sensorische zenuwcellen.
c)
Uitlopers van motorische,  sensorische en schakel zenuwcellen.
d)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
11.
Welke van de onderstaande gedragingen is aangeboren?
a)
Een stekelbaars valt een houten blokje met een rode onderkant aan.
b)
Een hamster wordt elke avond op dezelfde tijd actief.
c)
Een vogel komt elk jaar terug naar dezelfde broedplaats op hetzelfde eiland.
d)
Een roodborstje eet een onsmakelijk insect, spuugt het uit en eet er nooit meer een.
12.
Is een groot namaak-ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrol-gedrag?
En is een normaal ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrol-gedrag?
a)
zowel een groot namaak-ei als een no
rmaal ei buiten het nest.
b)
alleen een normaal ei buiten het nest.
c)
 alleen een groot namaak-ei buiten het nest.
13.
Zanglijsters zijn dol op huisjesslakken. Ze zijn niet sterk genoeg om het slakkenhuis met de snavel open te breken. De lijster pakt met de snavel een slak bij de rand van de opening van het huis en mept daarmee net zo lang op een steen tot het huis breekt.
Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters deze aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt de techniek niet over.
Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?
a)
Gewenning
b)
Imitatie
c)
Inprenting
d)
Trial and error
14.
Mensen met hyperekplexia verstijven bij schrik enige ogenblikken volkomen. De aandoening is terug te leiden tot de aanwezigheid van een bepaald gen.
De Koning-Tijssen ontdekte dat er onder patiënten die gerekend worden tot de groep met hyperekplexia, mensen zijn die het 'verkeerde' gen niet hebben. Bij nader onderzoek bleek dat er onder de patiënten twee typen aandoeningen voorkomen: echte hyperekplexia en 'superschrik'. Mensen met superschrik zijn mensen die wel extreem schrikken, maar niet stijf worden. Als patiënten om de twintig seconden een harde knal te horen krijgen, kunnen ze onderscheiden worden. Patiënten met echte hyperekplexia reageren na drie knallen niet meer, patiënten met superschrik veren ook na twaalf knallen nog even hard overeind.
Welk type leerproces treedt bij echte hyperekplexia wel en bij superschrik niet op?
a)
Inzicht
b)
Trial and error
c)
Gewenning
d)
Conditionering
15.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
16.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
17.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
18.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
19.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)
Bij zo'n persoon is de verbranding van cellen laag.
d)
Bij zo'n persoon is er veel verbranding van de cellen
20.
Waar ligt de alvleesklier?
a)
Achter de nieren
b)
Achter de darmen
c)
Bij het hart
d)
Bij de maag
21.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
22.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
23.
De oranje delen van de afbeelding maken een hormoon dat:
a)
je snel veel energie geeft
b)
ervoor zorgt dat je groeit
c)
voor de goede hoeveel suikers in je bloed zorgt
d)
je secundaire geslachtskenmerken krijgt
24.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

25.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

26.

Een onderzoekje naar het verband tussen het glucosegehalte van het bloed en een schrikreactie. Op welk tijdstip schrok deze persoon hevig?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

27.

Waar worden oestrogenen & progesteron geproduceerd?

a)

eileider

b)

eierstok

c)

baarmoeder

d)

hypofyse

28.

Gedrag

a)

Alles wat een dier doet of laat

b)

Gedrag dat ontstaat door een combinatie van inwendige en uitwendige factoren

c)

Waarde die bereikt moet worden om bepaald gedrag te laten plaatsvinden

d)

Ethologie

e)

Lijst met objectieve nauwkeurig beschreven gedragselementen

29.

Uitwendige prikkel

a)

Prikkel die van binnenuit komt, zoals hormonen-, honger- en dorstgevoel

b)

Prikkel die van buitenaf komt

c)

De samenhangende onderdelen van gedrag

d)

Bijhouden hoe vaak bepaald gedrag wordt vertoond in bepaalde tijdsperiode

e)

Prikkels waarmee dieren gedrag van soortgenoten willen beinvloeden

30.

Ethogram

a)

Bijhouden hoe vaak bepaald gedrag wordt vertoond in bepaalde tijdsperiode

b)

Gedrag waarbij verschillende gedragssystemen afwisselen

c)

Subjectieve beschrijving van gedrag gebaseerd op menselijke emoties

d)

Lijst met objectieve nauwkeurig beschreven gedragselementen

31.

Gedragsketen

a)

De samenhangende onderdelen van gedrag

b)

Vaste volgorde van gedragselementen

c)

Aparte gedragseenheden

d)

Deze vorm van leren vindt plaats gedurende een gevoelige periode

32.

Motiverende factoren

a)

Aparte gedragseenheden

b)

Gedrag waarbij verschillende gedragssystemen afwisselen

c)

Gedrag dat ontstaat door een combinatie van inwendige en uitwendige factoren

d)

Gedrag gericht op het leven in een groep

33.

Sleutelprikkel

a)

Versterkte sleutelprikkel

b)

Essentiele prikkel waarop altijd hetzelfde gedrag volgt

c)

Prikkel die van buitenaf komt

d)

Prikkel die van binnenuit komt, zoals hormonen-, honger- en dorstgevoel

34.

Supernormale prikkel

a)

Prikkel die van buitenaf komt

b)

Prikkel waarmee dieren gedrag van soortgenoten willen beinvloeden

c)

Versterkte sleutelprikkel

d)

Aparte gedragseenheden

35.

Een vogelverschrikker in de kersenboomgaard heeft maar een korte tijd effect.

Welk type leergedrag vertonen de vogels die zich niet meer af laten schrikken?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

klassieke conditionering

e)

operant conditionering

36.

Roodborstmannetjes kunnen in de paartijd erg agressief verdrag vertonen, zelfs richting een bosje rode veren.

Welke interne factor bepaalt of het roodborstmannetje agressief wordt?

(a)  

37.

Bijen reageren op de geur van suikerwater door hun opgerolde tong uit te steken. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben bijen blootgesteld aan de geur van bepaalde explosieven en ze tegelijk suikerwater gegeven. Na enkele uren hadden de bijen geleerd hun tong uit te steken als ze de explosieven roken, ook als ze geen suikerwater kregen. Zulke getrainde bijen hoopt men in de toekomst te kunnen gebruiken om bijvoorbeeld bommen op te sporen.


Hoe wordt de beschreven vorm van leren genoemd?

a)

Conditionering

b)

Inprenting

c)

Trial and error

38.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat een organismen doen.

b)

Bewust gedrag van mens en dier.

c)

Alles wat een mens of dier doet.

d)

Onbewust en bewust gedrag van organimen.

39.

Een etholoog doet een gedragsonderzoek. Wat is de juiste volgorde?

a)

Ethogram - Protocol

b)

Observatie - Protocol - Ethogram - Diagram

c)

Observatie - Diagram - Ethogram - Protocol

d)

Observatie - Ethogram - Protocol - Diagram

40.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

41.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

42.

Wat is de inwendige prikkel voor de pinguïn-dans?

(a)  

43.

Hoe wordt zo'n tabel genoemd?

(a)  

44.

Mannetjeshonden plassen veel vaker dan vrouwtjeshonden.

Bij welk type gedrag hoort dit gedrag van de hond?

a)

Imponeergedrag

b)

Territoriumgedrag

c)

Balstgedrag

d)

Overspronggedrag

45.

Een leerling krijgt een preparaat van een aantal cellen. Hij gebruikt een normale schoolmicroscoop om het preparaat te bekijken.

Voor het bekijken van het preparaat gebruikt de leerling een objectief waardoor de vergroting 600x wordt. Hij ziet een aantal chromosomen. In de afbeelding hiernaast is de schematische tekening die de leerling hiervan maakt.


Omdat hij denkt dat het beeld niet volledig is, wil hij het preparaat in de richting van de pijl verschuiven.

Als hij het preparaat in de richting van de pijl verplaatst, schuift het beeld juist de andere kant op. Daarna schuift de leerling net zo lang het preparaat allerlei kanten op tot hij de chromosomen in het midden van het beeld ziet.

Welke manier van leren hoort hier bij?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

inzicht

e)

trial and error

46.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

47.

Wat voor type zenuw is 5?

a)

Gevoelszenuw

b)

Bewegingszenuw

48.

Wat is de functie van het laagje om elke uitloper in een zenuw

a)

Deze isoleren de uitlopers van elkaar

b)

Deze geven stevigheid aan de uitlopers

c)

Deze geven vorm aan de uitlopers

49.

Wat is opvallend aan de witte en grijze stof in de hersenen en het ruggenmerg?

a)

Witte stof zit bij het ruggenmerg aan de binnenkant, grijze stof zit aan de buitenkant. Bij de hersenen is dit andersom

b)

Witte stof zit bij de hersenen aan de binnenkant, grijze stof zit aan de buitenkant. Bij het ruggenmerg is dit andersom.

c)

Bij hersenen en ruggenmerg zit witte stof aan de binnenkant en grijze stof aan de buitenkant

d)

Bij hersenen en ruggenmerg zit witte stof aan de buitenkant en grijze stof aan de binnenkant

50.
Welk deel van het autonome zenuwstelsel zorgt voor een verhoging van de hartslag?
a)
Parasympatische deel
b)
Orthosympatische deel
c)
Para- en orthosympatisch
d)
Animale zenuwstelsel