wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordsoorten Nederlands

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de lidwoorden?

a)

voor, in, achter

b)

de. het, een

c)

een, twee, drie

d)

aap, noot mies

2.

Wat zijn voorbeelden van voorzetsels (vz)?

a)

de, het, een

b)

aap, noot, mies

c)

in, op, over

d)

mooiste, laagste, liefste

3.

Hoe herken je een bijvoeglijk naamwoord (bn)?

a)

Het zegt altijd iets over een zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Het zegt altijd iets over het werkwoord (ww)

c)

Het zegt altijd iets over het lidwoord

d)

Het zegt altijd iets over een voorzetsel

4.

Wat zijn voorbeelden van zelfstandige naamwoorden?

a)

aap, noot mies

b)

mooiste, laagste, hoogste

c)

eten, werken, lopen

d)

de, het, een

5.

wat zijn voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden (bn)?

a)

aap, noot mies, Scheveningen,

b)

mooiste, hoogste, laagste, liefste

c)

de, het, een

d)

om, op, in, over

6.

Hoe herken je een zelfstandig naamwoord (zn)?

a)

je kan het in de verleden tijd zetten

b)

je kan er een voorzetsel achter zetten

c)

je kan het vervoegen

d)

Het zijn altijd mensen, dieren of dingen en je kan er een lw voor zetten

7.

Wat zijn voorbeelden van werkwoorden?

a)

op, in, over

b)

de, het, een

c)

eten, lopen, leren

d)

mooiste, liefste, dromerige

8.

Hoe check je of een woord een werkwoord is?

a)

Je kan het vervoegen (met ik, jij, hij, wij ervoor)

b)

je kan het voor een zn zetten

c)

je kan het voor 'de kast' zetten

d)

je kan het voor een lw zetten

9.

Kies in deze zin een geschikt bijvoeglijk naamwoord (bn) :

Wat een .................................boek!!

a)

katoenen

b)

probleem

c)

fantastisch

d)

gelegen

10.

Hoe herken je een voorzetsel (vz)?

a)

Je kan het eten

b)

Je kan het voor 'de kast' zetten

c)

Je kan het vervoegen

d)

je kan er een bn voor zetten

11.

Welke opmerking is juist?

a)

Een werkwoord is een doe-woord

b)

Een werkwoord zegt iets over een ander woord

c)

een werkwoord kan je voor 'de kast' zetten

d)

een werkwoord kan je eten

12.

Welke opmerking is juist?

a)

Een telwoord zegt waar iets is

b)

Een telwoord zegt hoeveel er van iets is

c)

Een telwoord kan je eten

d)

Een telwoord zegt iets over een bn

13.

Wat zijn voorbeelden van telwoorden?

a)

de het, een

b)

een, twee, drie, eerste, tweede, derde

c)

eten, lopen, slapen, lachen, leren

d)

aap, noot, mies

14.

Wat zijn goede voorbeelden van werkwoorden?

a)

de, het, een, en, maar, op

b)

giechelen, niezen, traplopen, eten

c)

voor, achter, naast

d)

liefste, knapste, katoenen

15.

Welk woord past niet in het rijtje:

schip, schoon, katoenen, groot

a)

schip

b)

schoon

c)

katoenen

d)

groot

16.

Welk woord past niet in het rijtje?

vergeten werken zoentje bedoelt

a)

vergeten

b)

werken

c)

zoentje

d)

bedoelt

17.

Wat zijn de lidwoorden in deze zin?:

Een blije S10 behaalt straks de eerste plaats op het songfestival in de hoofdstad.

a)

blije, eerste

b)

behaalt

c)

een, de, de

d)

straks, in

18.

Wat zijn de werkwoorden in deze zin?:

Een blije S10 behaalt straks de eerste plaats op het songfestival in de hoofdstad.

a)

een, de, de

b)

blije

c)

behaalt

d)

hoofdstad, S10, plaats

19.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden (zn) in deze zin?:

Een blije S10 behaalt straks de eerste plaats op het songfestival in de hoofdstad.

a)

behaalt

b)

blije, eerste

c)

songfestival, S10, hoofdstad, plaats

d)

op, het, in, een

20.

Wat zijn de telwoorden in deze zin?:

Een blije S10 behaalt straks de eerste plaats op het songfestival in de hoofdstad.

a)

blije

b)

eerste (en eigenlijk lijkt S10 ook een beetje op een telwoord maar het is een naam)

c)

songfestival, hoofdstad,

d)

behaalt

21.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden (bn) in deze zin?:

Verstandige mensen kennen de gevaren van wilde dieren.

a)

verstandige, wilde

b)

mensen, gevaren, dieren

c)

gevaren

d)

dieren

22.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden (zn) in deze zin?:

Verstandige mensen kennen de gevaren van wilde dieren.

a)

verstandige, wilde

b)

mensen, gevaren, dieren

c)

kennen

d)

de, van

23.

Wat zijn in deze zin de zelfstandige naamwoorden (zn)?

Wat DIrk-Jan in zijn wagentje heeft, is waarschijnlijk niet wat de klant wil

a)

wat, waarschijnlijk, wil

b)

DIrk-Jan, wagentje, klant

c)

heeft, is wil

d)

in zijn wat

24.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden (bn)?

Een verdwaalde toerist wilde in de vroege lente van 2019 in een safaripark een jonge luipaard aaien

a)

een, de, een, een

b)

verdwaalde, vroege, jonge

c)

toerist, lente safaripark, luipaard

d)

wilde, aaien