Font size
WorksheetsImperfectum
Total questions: 15
Worksheet time: 5mins
Jan ... (werken) vroeger in een ziekenhuis.
(a)
Hij ... (zijn) verpleegkundige.
(a)
Als verpleegkundige ... (kunnen) hij veel mensen helpen
(a)
Toch ... (vinden) hij dit werk soms zwaar.
(a)
Hij ... (praten) hierover met zijn collega's.
(a)
De collega's ... (willen) hem graag helpen.
(a)
Maar niemand ... (weten) wat de oplossing was.
(a)
Een van zijn collega's ... (stellen) de vraag: Wat doe je het liefst?
(a)
Jan ... (zeggen) dat hij autorijden wel leuk vond.
(a)
De collega ... (adviseren) hem om ambulancechauffeur te worden.
(a)
Dit idee ... (lijken) Jan fantastisch.
(a)
Hij ... (bedanken) zijn collega.
(a)
Jan ... (moeten) een rijexamen doen.
(a)
Na het rijexamen ... (mogen) hij meteen aan de slag.
(a)
Hij ... (worden) meteen de beste ambulancechauffeur van de stad.
(a)
