Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5H afweer

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Antigenen zijn

a)

kleine moleculen bestemd voor de afbraak van schadelijke stoffen.

b)

kleine moleculen bestemd voor de bescherming van de eigen cellen.

c)

grote moleculen die gewoonlijk lichaamsvreemd zijn voor het organisme waar ze binnendringen.

d)

grote moleculen die cellen uit een organisme beschermen tegen schadelijke stoffen en/of organismen.

2.

Welke van de volgende soorten cellen is verantwoordelijk voor de snelle secundaire immuunrespons?

a)

geheugen cellen

b)

cytotoxische T-lymfocyten

c)

macrofagen

d)

cytokinen

e)

plasma cellen

3.

Als je immuun bent voor een ziekte dan

a)

circuleren voortdurend antilichamen tegen die ziekte in je bloed

b)

kunnen bepaalde lymfocyten heel snel de juiste antilichamen maken

c)

is je niet-specifieke afweersysteem versterkt

d)

worden B-lymfocyten gestimuleerd om heel snel ziekteverwekkers te omsluiten en vernietigen

4.

Worden bij het tot stand komen van actieve immunisatie tegen een bepaalde ziekteverwekker geheugencellen gevormd? En bij passieve immunisatie?

a)

bij geen van beide

b)

alleen bij actieve immunisatie

c)

alleen bij passieve immunisatie

d)

bij beide

5.

Wat is de eerstvolgende stap nadat een macrofaag een bacterie heeft gefagocyteerd?

a)

T-cellen worden actief

b)

B-cellen worden aftief

c)

Antistoffen worden geproduceerd

d)

De macrofaag wordt een antigen-presenterende cel

e)

T-cellen zetten geïnfecteerde cellen aan tot celdood

6.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd. Hieronder zijn vier handelingen vermeld.

I Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.

II Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.

III Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

IV Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.


Welke van de bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

a)

I, III

b)

II, IV

c)

I, III, II, IV

d)

II, IV, I, III

7.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie. Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd.

I De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.

II De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.

III Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.

IV Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.


Welke van deze verklaringen is juist?

a)

verklaring I

b)

verklaring II

c)

verklaring III

d)

verklaring IV

8.

Konijnen kunnen tegen de virusziekte myxomatose worden ingeënt met een vaccin. Dit vaccin bevat verzwakte ziekteverwekkers. Inenting daarmee is een vorm van immunisatie en levert na één week al een goede immuniteit op.


Hoe wordt deze vorm van immunisatie genoemd?

a)

Kunstmatige, actieve immunisatie

b)

Kunstmatige, passieve immunisatie

c)

Natuurlijke, actieve immunisatie

d)

Natuurlijke, passieve immunisatie

9.

Sinds 1987 worden kinderen in Nederland ingeënt tegen bof, mazelen en rode hond. Het vaccin wordt het BMR-vaccin genoemd.

Bevat het BMR-vaccin antigenen? En bevat het antistoffen?

a)

alleen antigenen

b)

alleen antistoffen

c)

zowel antigenen als antistoffen

d)

geen van beide

10.

Op tijdstip P wordt iemand geïnfecteerd met een bepaalde ziekteverwekker. Op tijdstip Q, een jaar later, treedt voor de tweede maal infectie op met eenzelfde ziekteverwekker. De concentratie antistoffen in het bloed van deze persoon ondergaat hierdoor veranderingen.


Hiernaast staan vier diagrammen waarin het verband tussen concentratie antistof en de tijd wordt weergegeven.

Welk van bovenstaande diagrammen geeft de te verwachten concentraties antistoffen weer als gevolg van infecties op de tijdstippen P en Q?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

11.

Anja heeft bloedgroep 0+


Welke antistoffen tegen bloedgroepantigenen heeft Anja in haar bloed?

a)

alleen anti-Rhesus

b)

alleen anti-A en anti-B

c)

geen antistoffen

d)

anti-A, anti-B en anti-Rhesus

12.

Een ongeboren kind kan via de placenta en via de moedermelk antistoffen van de moeder krijgen. Dat is noodzakelijk omdat de antistoffenproductie pas na de geboorte op gang komt.


Dit is een voorbeeld van:

a)

Kunstmatige, actieve immunisatie

b)

Kunstmatige, passieve immunisatie

c)

Natuurlijke, actieve immunisatie

d)

Natuurlijke, passieve immunisatie

13.

Anne is nierpatiënt. Haar man Joris biedt zich als nierdonor voor Anne aan. De weefseltypen van beiden komen voldoende overeen. Anne heeft bloedgroep B en Joris heeft bloedgroep A. Gelet op de bloedgroepen is Joris geen geschikte donor voor Anne.


Wat is hiervoor de reden?

a)

Het bloed van Anne bevat anti-A.

b)

Het bloed van Anne bevat anti-B.

c)

Het bloed van Anne bevat antigeen A.

d)

Het bloed van Anne bevat antigeen B.

14.

In de volgende gevallen worden bij de mens weefsels overgebracht:

1 bij een harttransplantatie,

2 bij een transfusie waarbij bloed van bloedgroep A wordt toegediend aan iemand met bloedgroep AB,

3 bij een bypass-operatie, waarbij een stukje van een beenader van een patiënt wordt overgebracht naar zijn hart.


In welk(e) van deze gevallen worden antistoffen tegen het overgebrachte weefsel geproduceerd?

a)

alleen bij 1

b)

alleen bij 2

c)

alleen bij 3

d)

bij 1 en 3

e)

bij 2 en 3

15.

In het lichaam van de mens zijn onder andere drie typen vocht te onderscheiden: bloedplasma, lymfe en weefselvocht.


In welk of welke van deze drie typen vocht kunnen antistoffen voorkomen?

a)

alleen bloedplasma

b)

bloedplasma en lymfe

c)

alleen in lymfe

d)

bloedplasma, lymfe en weefselvocht

e)

lymfe en weefselvocht

16.

Als een arts constateert dat je verkouden bent, zal hij je, ondanks het feit dat het een infectieziekte betreft, hiervoor geen antibiotica voorschrijven.

Wat is daarvan de directe reden?

a)

Antibiotica bestrijden wel de symptomen, maar niet de oorzaak van de verkoudheid.

b)

Antibiotica kunnen de slijmvliezen maar moeilijk bereiken.

c)

Antibiotica werken alleen tegen bacteriën, niet tegen virussen.

d)

Frequent gebruik van antibiotica leidt tot resistentie van het verkoudheidsvirus.