Font size
WorksheetsFinale - Werkwoorden verleden tijd en voltooide tijd
Total questions: 15
Worksheet time: 15mins
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
1. Het eten was (bederven perfectum = voltooide tijd).
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
2. Hij heeft een vaas (breken perfectum).
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
3. Ik ben (dwingen perfectum) om dat huiswerk te maken.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
4. Wie heb jij (kiezen perfectum)?
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
5. Wie heeft dat mooie gebouw (ontwerpen perfectum)?
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
6. De man heeft mij (uitschelden perfectum).
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
7. Ben jij van de duikplank (springen perfectum)?
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
LET OP vanaf deze vraag is er een andere tijd!
8. Het sieraad (glimmen imperfectum = verleden tijd) prachtig.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
9. Hij (fluiten imperfectum) een liedje.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
10. Maria (verhuizen imperfectum) naar België.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
11. Wij (antwoorden imperfectum) de lerares.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
12. Anja (stoppen imperfectum) met de cursus.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
13. Ik (wachten imperfectum) een uur op jou.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
14. Het (lijken imperfectum) mooi weer te worden.
(a)
Verander het werkwoord / verbum in de vorm, die erachter staat.
15. De familie (wonen imperfectum) lang in het buitenland.
(a)
