wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

havo 4 TW3 krachten en warmte

Total questions: 32

Worksheet time: 2hrs 34mins

Name
Class
Date
1.

Welke stof heeft de meeste energie nodig om 1 gram van een stof 1 ℃ te verwarmen?

a)

IJzer

b)

Olijfolie

c)

Hout

d)

Water

2.

Ninke en Wim gaan olijfolie verwarmen.

Ninke verwarmt 1 gram olijfolie van 15℃ naar 16 ℃.

Wim verwarmt 1 gram olijfolie van 75 ℃ tot 76 ℃.

a)

Ninke en Wim moeten evenveel warmte toevoegen.

b)

Ninke moet meer warmte toevoegen.

c)

Wil moet meer warmte toevoegen.

3.

Bepaal welke stof de grootste soortelijke warmte heeft?

a)

Stof 1

b)

Stof 2

4.

De formule Q = c ∙ m ∙ ∆T kan ik omschrijven, zodat ik de soortelijke warmte kan uitrekenen. Welke omgeschreven formule is juist?

a)

c = Q ∙ m ∙ ∆T

b)
c)
d)
5.

Bereken de hoeveelheid energie overdracht bij het afkoelen van 50 gram ijzer.

a)

-1886 J

b)

1886 J

c)

2530 J

d)

-2530 J

6.

Bereken de soortelijke warmte van water. Er wordt 1415 gram water opgewarmd in een waterkoker met een vermogen van 1970 Watt.

a)

0,020 J/g∙℃

b)

0,017 J/g∙℃

c)

4,18 J/g∙℃

d)

2,92 J/g∙℃

7.
Een vorm van energietransport zonder tussenkomst van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)

straling

8.
Een vorm van energietransport met merkbare verplaatsing van materie
a)
geleiding
b)
stroming
c)

straling

9.
Drie blokjes uit verschillende materialen maar met dezelfde massa worden in een diepvries geplaatst. De hoeveelheid warmte die de diepvries per tijdseenheid aan de voorwerpen onttrekt is constant. De figuur toont het verloop van de temperatuur van de materialen in functie van de tijd. Rangschik de onderstaande materialen volgens stijgende stoltemperatuur
a)
1-2-3
b)
2-3-1
c)
3-2-1
d)
1-3-2
10.
Aan 100 g ijs op 0°C wordt 100 G kokend water toegevoegd. Welke grafiek beschrijft best de verloop van de temperatuur van het ijs en het water in functie van de tijd. De invloed van het vat mag je verwaarlozen
a)
grafiek A
b)
grafiek B
c)
grafiek C
d)
grafiek D
11.
Wie heeft gelijk
a)
Lindsey
b)
Bart
c)
Jonathan
d)
Ze hebben alle drie gelijk
12.
Een stof met een hoge specifieke warmtecapaciteit:
a)
is altijd zeer warm.
b)
heeft veel energie nodig om 'op te warmen'
c)
is licht
d)
heeft weinig energie nodig om op te warmen
13.
Thermische energie gaat steeds:
a)
van een voorwerp met een hoge temperatuur naar een voorwerp met een lage temperatuur
b)
van een voorwerp met een lage naar een hoge temperatuuur
c)
van een voorwerp met een lage naar een hoge kinetische energie
d)
van een voorwerp met een grote massa naar een voorwerp met een kleine massa
14.
Wanneer thermische energie wordt toegevoegd aan een stof dan zullen de deeltjes van deze...
a)
sneller bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
b)
sneller bewegen en dichter bij elkaar zitten
c)
trager bewegen en op een grotere afstand van elkaar zitten
d)
trager bewegen en op een kleinere afstand van elkaar zitten
15.
Twee blokken zijn gemaakt van hetzelfde materiaal maar hebben een verschillende massa. Beide blokken hebben dezelfde temperatuur. Welk blok bezit de hoogste inwendige energie?
a)
het grootste blok
b)
het kleinste blok
c)
beide blokken hebben dezelfde inwendige energie
d)
geen van beide blokken heeft inwendige energie
16.
Als je een ijsblokje in je drankje doet, wordt het koel omdat
a)
het smelten van het ijsblokje koude afgeeft aan het drankje 
b)
het smelten van het ijsblokje warmte onttrekt aan het drankje 
c)
het verdampen van het drankje afgeremd wordt door de koude die het ijsblokje afgeeft. 
17.
Een beker met 500 ml olie en een beker met 500 ml water worden met twee identieke dompelkokers opgewarmd. Dan zal/zullen
a)
de olie en het water even snel opwarmen
b)
de olie sneller opwarmen dan het water omdat het een lagere soortelijke warmtecapaciteit heeft
c)
de olie trager opwarmen dan het water omdat het een lagere soortelijke warmtecapaciteit heeft
18.
Wie heeft er gelijk?
a)
Liv
b)
Johan
c)
Bram
19.
Welke vorm van warmtetransport wordt voorgesteld door elk nummer?
a)
1: geleiding
2: straling
3:stroming
b)
1: geleiding
2: stroming
3:straling
c)
1:stroming
2:geleiding
3:straling
d)
1:straling
2:stroming
3:geleiding
20.

Als je uit een vliegtuig springt en de snelheid waarmee je valt is NOG NIET constant.

Welke vergelijk is dan kloppend?

a)

F Fres =Fzw +Fw,lucht =m  aF_{res\ }=F_{zw\ }+F_{w,lucht\ }=m\ \cdot\ a  

b)

Fres =Fzw Fw,lucht =m  aF_{res\ }=F_{zw\ }-F_{w,lucht\ }=m\ \cdot\ a  

c)

Fres =Fzw +Fw,lucht =0 F_{res\ }=F_{zw\ }+F_{w,lucht\ }=0\  

d)

Fres =Fzw Fw,lucht =0F_{res\ }=F_{zw\ }-F_{w,lucht\ }=0  

21.

Wat gebeurd er op het moment dat je tijdens een parachute sprong jouw parachute openklapt.

a)

De resulterende kracht, de versnelling en de snelheid krijgen een richting omhoog.

b)

De resulterende kracht, de versnelling en de snelheid krijgen een richting omlaag.

c)

De resulterende kracht en de versnelling krijgen een richting omhoog. Snelheid is omlaag gericht.

d)

De resulterende kracht ende versnelling krijgen een richting omlaag. Snelheid is omhoog gericht.

22.

Twee ballen van gelijke grootte maar verschillende massa vallen omlaag. De ballen ondervinden een luchtweerstandskracht.

Welke bal komt eerder op de grond?

a)

De zwaarste bal

b)

De lichtste bal

c)

Beide ballen landen tegelijkertijd, want luchtweerstand is alleen afhankelijk van oppervlakte en die is gelijk.

d)

Beide ballen landen tegelijk, want de valversnelling is bij beide voorwerpen evengroot.

23.

Wat weet je over de grootte van de luchtweerstand als een voorwerp met een constante snelheid aan het vallen is.

a)

Fw,lucht =FzwF_{w,lucht\ }=F_{zw}  

b)

Fw,lucht = m  aF_{w,lucht\ }=\ m\ \cdot\ a  

c)

Fw,lucht = 0F_{w,lucht\ }=\ 0   

d)

Fw,lucht = FresF_{w,lucht\ }=\ F_{res}  

24.

In welk van de afbeeldingen is de arm juist ingetekend?

a)
b)
c)
d)
25.

2.1 Als het systeem in evenwicht is dan

a)

De som van de momenten linksom gelijk aan de som van de momenten rechtsom.

b)

De som van de krachten links gelijk aan de som van de krachten rechts van het draaipunt.

c)

De som van de armen links gelijk aan de som van de armen rechts van het draaipunt.

d)

Dan zijn er geen krachten die werken om het systeem.

26.

2.5 bekijk de afbeelding goed en bereken de ontbrekende kracht in N

a)

180 N

b)

60 N

c)

120 N

d)

40 N

27.

1.6 Herman kan een steekkar in verschillende standen vasthouden.

In welke stand is de benodigde spierkracht het kleinst?

a)

stand A

b)

stand B

c)

stand C

d)

de kracht is in elk voorbeeld gelijk

28.

1.6 Joop wil een stuk ijzerdraad doorknippen. Hij bezit drie tangen.

Bij welke tang is de kracht op het ijzerdraad het kleinst (ervan uitgaand dat Joop steeds even hard knijpt)?

a)

combinatietang

b)

draadtang

c)

nijptang

29.

2.5 Ziana gebruikt de draadtang om een stuk koperdraad af te knippen. Ze oefent daarbij een kracht F = 12 N uit op elk van de twee handvatten.

Hoe groot is de kracht die op het koperdraad wordt uitgeoefend?

a)

2.4 N

b)

4.8 N

c)

60 N

d)

120 N

30.

1.6 Wat kun je zeggen over de kracht die Hans uitoefent op de stok?

De kracht die Hans uitoefent is ....... de zwaartekracht op de kast.

a)

even groot als

b)

kleiner dan

c)

groter dan

31.

De rode en blauwe massa blokken zijn gelijk in grootte. Waar moet er een blokje bij gehangen worden om evenwicht te krijgen?

a)

Een tweede blok op plek 3 links van het midden.

b)

Een blok op plek 9 links van het midden.

c)

Het is niet mogelijk om evenwicht te krijgen door het plaatsen van 1 blokje.

32.

De rode en blauwe massa blokken zijn gelijk in grootte. Waar moet er een blokje bij gehangen worden om evenwicht te krijgen?

a)

Een tweede blok op plek 1 rechts van het midden.

b)

Een blok op plek 9 rechts van het midden.

c)

Het is niet mogelijk om evenwicht te krijgen door het plaatsen van 1 blokje.