Font size
WorksheetsVoltooid deelwoord 3
Total questions: 20
Worksheet time: 2hrs 40mins
De jongens hebben het katje (a) (helpen, vd)
Mijn vader heeft mijn geboorte (a) (filmen, vd)
Mijn vader heeft de auto (a) (parkeren, vd)
Mona heeft het met jou (a) (treffen, vd)
We hebben de toets allemaal goed (a) (maken, vd)
De aardappels zijn (a) (snijden, vd)
Ik heb hem honderd euro (a) (geven, vd)
Chuck heeft in het zwembad (a) (zwemmen, vd)
Wij hebben koekjes (a) (bakken, vd)
Wij hebben alle namen (a) (kennen, vd)
Wij hebben de maaltijd (a) (proberen, vd)
Kim heeft haar tanden (a) (poetsen, vd)
Ik heb een pizza (a) (kopen, vd)
Meneer de boer heeft een fiets (a) (kopen, vd)
De bloemen zijn (a) (planten, vd)
Skye heeft een huisje (a) (bouwen, vd)
Wij hebben een huis (a) (tekenen, vd)
Thomas had die uitslag al (a) (vermoeden, vd)
Ronald heeft zijn tong aan de soep (a) (branden, vd)
Jan heeft hem dat (a) (verzoeken, vd)
