wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V erfelijkheid, gemaakt door 4V

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke uitspraak of uitspraken zijn juist?

I. Bij een trisomie is er een chromosoom te weinig

II. Trisomie is een soort chromosoommutatie

a)

I is juist

b)

II is juist

c)

beide zijn juist

d)

beide zijn onjuist

2.

Wat gebeurt er in het Golgi-systeem?

a)

Het maakt eiwitten voor de bouw van lichaamsdelen

b)

Het zorgt voor de verdubbeling van chromosomen

c)

Het sorteert stoffen voor verder transport

d)

Het zorgt voor de secundaire, tertiaire en quaternaire structuur van eiwitten

3.

Een dominant allel is een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Het recessieve allel komt niet tot uiting maar kan wel doorgegeven worden aan de nakomelingen. Welk begrip hoort hierbij?

a)

Dominant

b)

Genoom

c)

Homozygoot

d)

Drager

e)

Co-dominantie

5.

Hoe noem je de 1e generatie nakomelingen?

a)

A1 generatie

b)

F1 generatie

c)

Z1 generatie

d)

K1 generatie

6.

Wat is de juiste beschrijving van het begrip allel?

a)

Een groep genen op een chromosoom

b)

Een variant van een receptor

c)

Een variant van een gen

d)

Een deel van het fenotype dat bepalend is voor je uiterlijk

7.

Waaruit bestaat het genoom?

a)

Alleen het genotype

b)

Alleen het fenotype

c)

Genotype en fenotype

d)

genotype en DNA in je mitochondriën

8.

In welke fase van de meiose ontstaat de fout die resulteert in een trisomie, waarbij de zygote van een chromosoom 3 exemplaren heeft per cel.

a)

Meiose I

b)

Meiose II

c)

na de bevruchting pas

d)

Dat kan je niet afleiding

e)

Meiose I of meiose II

9.

Iemand heeft bloedgroep 0. Is dit bepaald in het genotype of door het milieu?

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

10.

Een bruine en een witte muis krijgen samen nakomelingen. De vachtkleur wordt bepaald door één gen waarbij het allel voor de witte vacht is dominant over die voor een bruine vacht. De witte muis is heterozygoot. Ze krijgen 4 nakomelingen. Hoeveel hiervan zijn homozygoot?

a)

Alle 4

b)

2 nakomelingen

c)

geen van de nakomelingen

d)

Dat kan je niet afleiding

11.

Bij wie is de kans op kleurenblindheid groter?

a)

Jongens

b)

Meisjes

c)

Beide evenveel kans

d)

Kleurenblindheid, wat is dat?

12.

Stel 1: moeder is heterozygoot en heeft bruin haar (Bb), vader is homozygoot voor zwart haar (bb).

Stel 2: moeder is homozygoot voor bruin haar (BB) en vader homozygoot voor zwart haar (bb).

De dochter van stel 1 krijgt kinderen met de zoon van stel 2. Op welke kleur haar hebben de kinderen de meeste kans?

a)

Zwart haar

b)

Bruin haar

c)

evenveel kans voor zwart als voor bruin haar

13.

In je DNA heb je verschillende paren chromosomen. Hoeveel chromosomenparen hiervan zijn autosomen?

a)

20

b)

23

c)

21

d)

22

14.

Hoeveel chromosomen heeft iemand met het syndroom van Down in totaal per cel?

a)

24

b)

47

c)

45

d)

69

15.

Pietje heeft door zijn genotype aanleg voor ballet. Hij heeft echter nog nooit ballet gedaan. Zou hij bij de eerste keer goed zijn in ballet?

a)

Ja, door zijn genotype

b)

Nee, hij heeft het nog nooit gedaan

c)

Ja, door zijn fenotype

d)

Nee, hij zal het nooit kunnen

16.

Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

Ja

b)

Nee

17.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van een eicel en zaadcellen

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Na de klievingsdelingen

18.

Is een genoommutatie erfelijk?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Beïnvloeden mutaties het genotype of fenotype?

a)

Alleen genotype

b)

Alleen fenotype

c)

Altijd genotype en fenotype

d)

Alleen het genotype en fenotype wanneer de mutatie in een actief gen is

20.

Een vrouw met bloed AB krijgt een kind met een man met bloedgroep B. Kan het kind bloedgroep A krijgen?

a)

Nee

b)

Ja, de kans is 25%

c)

Ja, de kans is 50%

d)

Ja, als de man allel i heeft