wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 2 - Chapitre 4 - Voc 4.8 t/m 4.10

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

le pays =

a)

het land

b)

de betaling

c)

de poort

d)

de maaltijd

2.

trouver =

a)

werken

b)

vinden

c)

teruggeven

d)

wonen

3.

une preuve =

a)

een bezorger

b)

een maaltijd

c)

een prakje

d)

een bewijs

4.

jouer =

a)

spelen

b)

jongleren

c)

eten

d)

drinken

5.

pourquoi =

(a)  

6.

avec =

(a)  

7.

vite =

(a)  

8.

Welk woord wordt hier afgebeeld?

a)

le cochon

b)

le poulet

c)

la vache

d)

le chien

9.

adorer = dol zijn op

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)

10.

souvent =

(a)  

11.

beaucoup =

(a)  

12.

faire des courses =

a)

voedsel verspillen

b)

dorst hebben

c)

boodschappen doen

d)

maaltijden klaarmaken

13.

une verre =

a)

een bril

b)

een glas

c)

een vork

d)

een bord

14.

acheter =

a)

eten

b)

aanpakken

c)

kopen

d)

geven

15.

le sucre =

(a)  

16.

une assiette =

a)

een vork

b)

een lepel

c)

een bord

d)

een rekening

17.

le morceau =

a)

het stukje

b)

de dranjes

c)

de smaak

d)

het afval

18.

un goût =

a)

een geit

b)

een gave

c)

een smaak

d)

een studie

19.

fraîche =

(a)  

20.

la poubelle =

(a)  

21.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

faire des courses

b)

donner

c)

le monde entier

d)

le gaspillage alimentaire

22.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

les légumes

b)

les fruits

c)

les surplus

d)

le repas

23.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

les fruits

b)

le déchets

c)

les légumes

d)

le cochon

24.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

le repas

b)

le cochon

c)

la poubelle

d)

la nourriture

25.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

environ

b)

une verre

c)

le sucre

d)

le morceau

26.

Welk werkwoord is hier afgebeeld?

a)

éviter

b)

diminuer

c)

boire

d)

suivre

27.

Welk woord is hier afgebeeld?

a)

la nourriture

b)

la preuve

c)

lesurpoids

d)

les boissons

28.

où =

(a)  

29.

presque =

a)

bijna

b)

soms

c)

vaak

d)

altijd

30.

par an =

(a)