Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VMBO 3_4.1_Waarnemen

Total questions: 14

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat wordt er bedoeld met de term "Prikkel"?

a)

Informatie van je omgeving

b)

Iets wat prikt

c)

Een impuls

d)

Licht

2.

Wat is het verschil tussen inwendige prikkels en uitwendige prikkels?

a)

Inwendige prikkels komen je lichaam in en uitwendige blijven buiten je lichaam.

b)

Inwendige prikkels komen van binnenin je lichaam. Uitwendige prikkels komen van buiten je lichaam.

c)

Inwendige prikkels maak je alleen zelf aan en voel jij alleen. Uitwendige prikkels maak je zelf aan maar voelen andere ook.

3.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Licht

b)

Tast

c)

Pijn

d)

Dorst

e)

Geluid

4.

Wat zijn voorbeelden van een uitwendige prikkel?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Honger

b)

Smaakstoffen

c)

Warmte

d)

Geluid

e)

Huid

5.

Wat is een adequate prikkel?

a)

Een prikkel waar een zintuig speciaal gevoelig voor is.

b)

Een prikkel die heel erg sterk is.

c)

Een prikkel die speciaal gevoelig is voor een zintuig.

d)

Een prikkel die heel slap is.

6.

Welke adequate prikkel hoort bij het reukzintuig?

a)

Licht

b)

Geluid

c)

Smaakstoffen

d)

Geurstoffen

7.

In welk orgaan kan je warmtezintuigen vinden?

(Meerdere antwoorden mogelijk)

a)

(In je) Oog

b)

(In je) Huid

c)

(In je) Oor

d)

(In je) Neus

e)

(In je) Tong

8.

Waaruit bestaat je Centrale Zenuwstelsel?

a)

Hersenen en ruggenmerg

b)

Hersenen en zenuwen

c)

Ruggenmerg en zenuwen

d)

Hersenen, ruggenmerg en zenuwen

9.

Wat doet een zintuig wanneer hij zijn adequate prikkel opvangt?

a)

Stuurt de prikkel door naar de hersenen.

b)

Stuurt een zenuw naar de hersenen.

c)

Maakt van de prikkel een impuls en stuurt het (via zenuwen) naar de hersenen.

d)

Doet niks want het is een adequate prikkel.

10.

Waar naartoe kunnen de hersenen impulsen sturen? en waarom?

a)

Spieren, om te bewegen.

Klieren, om stoffen te maken.

b)

Spieren, om stoffen te maken.

Klieren, om te bewegen.

c)

Spieren, om te bewegen.

Zintuigen, zodat je meer kan waarnemen.

d)

Klieren, om stoffen te maken.

Zintuigen, om te kunnen bewegen.

11.

Waar of niet waar?

Een (adequate) prikkel wordt opgevangen door een zintuig. Het zintuig maakt van de prikkel een impuls. Dit impuls gaat via een zenuw naar de hersenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

(KB/GT vraag)

Wat gebeurd er als een prikkel de drempelwaarde niet bereikt?

a)

Komt er een prikkel vrij

b)

Komt er een impuls vrij

c)

Komt er geen prikkel vrij

d)

Komt er geen impuls vrij

13.

(KB/GT vraag)

Hoe kan je de drempelwaarde verhogen?

a)

Denken

b)

Motivatie

c)

Gewenning

d)

Voelen

14.

(KB/GT vraag)

Hoe kan je de drempelwaarde verlagen?

a)

Motivatie

b)

Gewenning

c)

Voelen