wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 DNA (HAVO5)

Total questions: 50

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Waarom is DNA belangrijk?

a)

het is erg klein en erg ingewikkeld

b)

het zit in alles

c)

het dient als de blauwdruk (blue-print) voor eigenschappen van alle levende wezens

d)

omdat we het elke dag eten voor energie

2.

Wat zijn de 4 stikstofbasen?

a)

adenine, thymine, cytoplasma, and guanine

b)
adenine, thymine cytosine, and guanine
c)

adenine, thymine, cytosine, and glycerol

d)
adenine, thymine, cytosine, and glucose
3.

Welke toont de juiste basenparing voor DNA?

a)
C-A, T-G
b)
A-G, C-T
c)
C-G, U-A
d)
T-A, G-C
4.

Waar staat DNA voor?

a)

Deoxyribonucleïnezuur

b)

stikstofhoudend zuur

c)

Deribonucleïnezuur

d)

Diribonucleïnezuur

5.

De bouwsteen van nucleïnezuren zijn nucleotiden. Nucleotiden zijn samengesteld uit een suiker, een fosfaatgroep en een _________________ base.

a)

zuurstof

b)

waterstof

c)

stikstof

d)

koolstof

6.

De suiker in DNA is ?

a)
sucrose
b)
glucose
c)
deoxyribose
d)
fructose
7.

Welke van de volgende moleculen worden herhaaldelijk samengevoegd om een ​​DNA-streng te vormen?

a)

aminozuren

b)

nucleotiden

c)

vetzuren

d)

polysachariden

8.

Identificeer #2.

a)

Stikstofbase

b)

Fosfaat groep

c)

deoxyribose suiker

d)
nucleotide
9.

Welke reeks is van groot naar klein gerangschikt?

a)

gen, chromosoom, kern, cel, nucleotide

b)

cel, kern, chromosoom, gen, nucleotide

c)

nucleotide, chromosoom, cel, kern

d)

cel, gen, nucleotide, kern, chromosoom

10.

DNA-replicatie resulteert in twee DNA-moleculen,

a)

elk met twee originele strengen

b)

elk met twee nieuwe strengen

c)

elk met een nieuwe streng en een originele streng

d)

een met twee nieuwe strengen en de andere met twee originele strengen

11.

volgorde van replicatie

a)
3, 4, 2, 1
b)
3, 1, 4, 2
c)
2, 1, 4, 3
d)
3, 4, 1, 2
12.

In welke fase van de celcyclus vindt DNA-replicatie plaats?

a)
G1
b)
S
c)
G2
d)
M
13.

Welk enzym is verantwoordelijk voor het toevoegen van nucleotiden?

a)

Helicase

b)
DNA Polymerase
c)
Ligase
d)
Primase
14.

Waarom repliceert DNA?

a)

Een nieuwe kopie maken voor de nieuwe cel

b)

Een duplicaat maken voor het geval het origineel beschadigd raakt

c)

Een nieuwe kopie maken om het beschadigde origineel te vervangen

15.

U krijgt de DNA-streng 5'ATGCTCAGCTGA3'. Wat is de bijbehorende DNA-streng?

a)

5'UACGAGUCGACU3'

b)

5'TACGAGTCGACT3'

c)

3'UACGAGUCGACU5'

d)

3'TACGAGTCGACT5'

16.

DNA-replicatie zet nucleotiden ______' naar _____' neer en er wordt gezegd dat het ______________________ is

a)

5, 3, antiparallel

b)

3, 5, antiparallel

c)

5, 3, parallel

d)

3, 5, parallel

17.

Wat zijn de drie componenten van een nucleotide?

a)

suiker, waterstof, stikstofbase

b)

suiker, zuurstof, stikstofbase

c)

suiker, fosfaat, stikstofbase

d)

suiker, fosfaat, eiwit

18.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
19.

DNA fiingerprinting werkt omdat....

a)

de meeste genen dominant zijn.

b)

alle organismen bevatten RNA

c)

de belangrijkste genen zijn bij de meeste mensen verschillend

d)

Geen twee mensen, behalve eeneiige tweelingen, hebben precies hetzelfde DNA

20.

Welke van de volgende is de sjabloon voor de productie van RNA in een cel?

a)

DNA

b)

ATP

c)

Eiwit

d)

Koolhydraten

21.

Wat is de relatie tussen een eiwit, de cel en DNA?

a)

DNA wordt geproduceerd door eiwit dat in de cel wordt geproduceerd

b)

Eiwit is opgebouwd uit DNA dat in de cel wordt geproduceerd

c)

DNA regelt de productie van eiwitten in de cel

d)

Een cel is opgebouwd uit DNA en eiwitten.

22.

Wat is een gen?

a)

Een bundel (zoals een hotdogbroodje) waar het DNA in is verpakt

b)

Iets in de celkern

c)

een sectie/stuk DNA

d)

al je DNA

23.

Wat is de naam van deze structuur?

a)

chromosoom

b)

DNA

c)

Gen

d)

Ribosoom

24.

Waar vindt de translatie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

25.

Waar vindt de transcriptie plaats?

a)

In de celkern

b)

In het cytoplasma

26.

Drie opeenvolgende stikstofbasen in het RNA noem je...

a)

adenines

b)

fosfaatgroepen

c)

codons

d)

anticodons

e)

mRNA

27.

RNA bevat een andere suikergroep dan DNA

a)

waar

b)

niet waar

28.

Een puntmutatie zorgt altijd voor een ander eiwit.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Lange ketens van aminozuren heten ook wel:

a)

vetten

b)

DNA

c)

mRNA

d)

eiwitten

e)

koolhydraten

30.

Transcriptie is ...

a)

Het overschrijven van de mRNA-code op aminozuren

b)

Het overschrijven van de mRNA-code op DNA

c)

Het overschrijven van de DNA-code op mRNA

d)

Het overschrijven van de DNA-code op aminozuren

31.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

32.

Eiwitten bestaan uit ...

a)

Stikstofbasen

b)

Codons

c)

mRNA

d)

Aminozuren

33.

Wat is de rol van het ER (endoplasmatisch reticulum) bij de eiwitsynthese?

a)

Maken van eiwit

b)

Vouwen en vervoeren van eiwit

c)

Aflezen van DNA-code

d)

Exocytose

34.

Welk proces vindt er plaats op deze tekening?

a)

transcriptie

b)

transfer-RNA creëert basen

c)

translatie

d)

DNA-helix wordt opengevouwen

35.

Wat is de correcte aminozuursequentie voor de mRNA code AUGCCAGUAUGA?

a)

Met-Pro-Val-Stop

b)

Met-Pro-Arg-Stop

c)

Met-Tyr-Gly-His

d)

Tyr-Gly-Arg-His

36.

Welk proces wordt hier voorgesteld?

a)

translatie

b)

replicatie

c)

mitose

d)

transcriptie

37.

Het belangrijkste enzym gerelateerd aan transcriptie is:

a)

gyrase

b)

DNA-polymerase

c)

ligase

d)

RNA-polymerase

38.

Bij het aflezen van een regulatorgen kan een ______________(1) worden gemaakt, die het aflezen en vertalen van andere genen kan ___________(2)

a)

(1) repressor, (2) blokkeren

b)

(1) repressor, (2) stimuleren

c)

(1) operator, (2) stimuleren

d)

(1) operator, (2) blokkeren

39.

n RNA, Uracil paren met ______.

a)

cytosine

b)

adenine

c)

guanine

d)

thymine

40.

Het mRNA verlaat het _________ om het ribosoom te vinden om eiwitten te maken.

a)

Cel

b)

Nucleotide

c)

Celkern

d)

Mitochondrien

41.

What amino acid is represented by the codon UUA?

a)

Phenylalanine

b)

Tyrosine

c)

Leucine

d)

Stop codon

42.

Waar worden eiwitten in een cel gemaakt?

a)

Nucleus

b)

Ribosoom

c)

Celmembraan

d)

Endoplasmatisch reticulum

43.

Welke mutatie is hier opgetreden?

T-G-A-C-C-A

T-G-A-G-C-A

a)

Vervanging

b)

Verwijdering

c)

Invoeging

44.

Zijn alle mutaties slecht?

a)

Ja

b)

Nee

45.

DNA-molecuulsegment is: TTACGCAAG

Het gemuteerde DNA-segment is TTCGCAAG.

Dit is een voorbeeld van ___ mutatie

a)

Vervanging

b)

Invoeging

c)

Verwijdering

46.

Welke van de volgende kan de kans van mutatie verhogen?

a)

UV-straling

b)

Virussen

c)

Toxische chemicalien

d)

alle bovenstaande antwoorden

47.

_______ is elke wijziging van het DNA van een organisme met behulp van biotechnologie.

a)

Klonen

b)

DNA fingerprinting

c)

Genetsche modificatie

d)

Humane Genome Project

48.

Wat is biotechnologie?

a)

Nuttige producten maken door gebruik te maken van levende systemen en organismen

b)

Een gebied van biotechnologie dat is gecentreerd rond het gebruik van DNA.

c)

Het doel om een ​​genetische kopie van een heel organisme te reproduceren.

49.

Een organisme waarvan het DNA is aangepast?

a)

Transgeen

b)

Genetische gemodificeerde organisme (GMO)

c)

Human Genome Project

d)

DNA fingerprinting

50.

Tegenwoordig zijn er veel meer organismen bekend die genen van andere soorten bevatten. Het zijn onder andere de door de mens genetisch gemodificeerde organismen. Welke term wordt in de biologie gebruikt om een genetisch gemodificeerd organisme aan te duiden?

a)

Heterozygoot

b)

Kloon

c)

Mutant

d)

Transgeen