Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

taalverzorging K4/ M4

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer gebruik je geen hoofdletter?

a)

aan het begin van een zin

b)

bij namen van rivieren

c)

bij namen van seizoenen

d)

bij woorden die van namen zijn afgeleid

2.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter in de volgende zin:

elke vrijdag koopt fleur een viva.

a)

elke, vrijdag en viva

b)

elke, fleur en viva

c)

vrijdag, fleur en viva

d)

elke, vrijdag en fleur

3.

Het meisje dat/die daar aan komt, is mijn nichtje.

a)

die

b)

dat

4.

Tom heeft langer pianoles als/dan ik/mij.

a)

als ik

b)

als mij

c)

dan ik

d)

dan mij

5.

Dat is mijn tante bij wie/waarbij ik vroeger vaak logeerde.

a)

bij wie

b)

waarbij

6.

Ivar legt/ligt lekker op de bank tv te kijken.

a)

legt

b)

ligt

7.

In het Nederlands schrijf je twee of meer woorden aan elkaar als zij één begrip vormen.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Welke samenstelling is goed geschreven?

a)

kassanbon

b)

schoolpas

c)

oliebolkraam

9.

Een zin met meerdere persoonsvormen heet een samengestelde zin.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Jan heeft gisteren zijn verjaardag gevierd.

a)

Jan

b)

heeft

c)

zijn verjaardag

d)

gevierd

11.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Tom heeft moeite met slapen en ligt soms urenlang wakker.

a)

heeft

b)

heeft, ligt

c)

ligt

12.

Als je naar 'de-woorden' verwijst dan verwijs je met..

a)

deze en die

b)

dit en dat

13.

De vriendin met wie/waarmee ik naar de stad zou gaan, heeft net afgebeld.

a)

met wie

b)

waarmee

14.

Zijn de leestekens in onderstaande zinnen juist of onjuist geplaatst?


De oude man zei: 'Vroeger was alles beter'.

a)

juist

b)

onjuist

15.

Zijn de leestekens in onderstaande zinnen juist of onjuist geplaatst?


Jarno vroeg aan zijn vriendin: 'Hoeveel uur hebben we vandaag?'

a)

juist

b)

onjuist

16.

Gargamel zei 'Ik haat smurfen'

a)

juist

b)

onjuist

17.

Ik ben beter ... jij.

a)

als

b)

dan

18.

Peter is sterker ... zijn buurman.

a)

als

b)

dan

19.

Sonja is even groot ... haar nichtje.

a)

als

b)

dan

20.

Welk woord is juist gespeld?

a)

meervoudigepersoonlijkheidsstoornis

b)

meervoudige persoonlijkheidsstoornis

c)

meervoudige persoonlijkheid stoornis

21.

De leerlingen ....... ik fietste waren te laat.

a)

Waarmee

b)

wie

c)

met wie

22.

Ik heb de som uitgerekend .................... de rekenmachine

a)

behulp van

b)

de hulp van

23.

Facebook en Instagram zijn beide een ..........................

a)

social medium

b)

social media

c)

social mediums

d)

social media's

24.

Een beer is sterk, mijn broer is ook sterk. Ik noem hem:

a)

berensterk

b)

beersterk

c)

beresterk

d)

bersterk