wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 Formatieve toets T1 Planten bs 1 t/m 4

Total questions: 58

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat is fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

2.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

3.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

4.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

5.

Wat eet deze rups?

a)

bladmoes

b)

bladsteel

c)

bladschijf

d)

stengel

6.

Bladmoes zit tussen de nerven

a)

Niet waar, het zit in de stengel

b)

Niet waar, het zit in de bodem

c)

Waar, het zit tussen de fijne nerven

d)

Waar het zit in de wortelnerven

7.

Wanneer en waar vind er in een plant fotosynthese plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

8.

Zitten er bladgroenkorrels in de sluitcellen van de huidmondjes

a)

ja

b)

nee

9.

welke organische stof ontstaat bij fotosynthes

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

10.

Kan een plant water opnemen via de huidmondjes en koolstofdioxide

a)

Alleen water wordt opgenomen via de huidmondjes

b)

Water en koolstofdioxide worden opgenomen via de huidmondjes

c)

Alleen koolstofdioxide wordt opgenomen via de huidmondjes

d)

Geen van beide stoffen wordt opgenomen via de huidmondjes

11.

In welk onderdeel worden er voedingsstoffen gemaakt?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

Welk onderdeel hebben wij ook in onze cellen?

a)

2

b)

4

c)

5

13.

Welke van de afbeeldingen is een plantaardige cel?

a)
b)
c)
d)
14.

Je ziet hier een dwarsdoorsnede van een blad. In welk weefsel worden de meeste bladgroenkorrels gevonden?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

15.

De buitenkant van een plantencel heet

a)

vacuole

b)

celwand

c)

celkern

d)

celmembraan

16.

Een plant krijgt al een tijd lang geen water, hoe ziet zijn cel eruit?

a)

A

b)

B

c)

B

17.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

Vacuole

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrel

d)

Celwand

18.
Welk nummer geeft de hoofdnerf aan?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
19.
In welk deel van de bladeren bevinden zich de vaten?
a)
Nerven
b)
Bladmoes
c)
Bladrand
d)
Alleen in de bladsteel
20.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

21.

Van welke vaten is dit:

Zijn wijd.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

22.

Van welke vaten is dit:

Liggen aan de binnenkant van de vaatbundels.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

23.

Van welke vaten is dit:

Zijn smaller

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

24.

Van welke vaten is dit:

liggen aan de buitenkant van de vaatbundel

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

25.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

26.
Welk nummer geeft de zijwortel aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
27.
Welk van de genummerde delen zal vooral als functie het opnemen van water hebben?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
28.

Je ziet hier een schematische tekening van de doorsnede van een stengel. Welke letter wijst een bastvat aan?

a)

Letter a

b)

Letter b

c)

Letter c

29.

Wat zijn kenmerken kenmerk van een houtvat?

Let op: meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

b)

Hierdoor stroomt water met glucose en andere voedingsstoffen vanuit de bladeren naar de andere delen van de plant.

c)

Ze liggen aan de binnenkant van een vaatbundel.

d)

Ze liggen aan de buitenkant van een vaatbundel.

30.

Wat zijn kenmerken kenmerk van een bastvat?

Let op: meerdere antwoorden zijn mogelijk.

a)

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

b)

Hierdoor stroomt water met glucose en andere voedingsstoffen vanuit de bladeren naar de andere delen van de plant.

c)

Ze liggen aan de binnenkant van een vaatbundel.

d)

Ze liggen aan de buitenkant van een vaatbundel.

31.

In informatie 7 staat, dat vaten in de aardappelplant verstopt raken als gevolg van de verwelkingsziekte. Welke vaten raken dan verstopt?

a)

Alleen de bastvaten

b)

Alleen de houtvaten

c)

Zowel de bastvaten als de houtvaten

32.

Door gangen te boren in de stengel van een maïsplant kunnen rupsen het vervoer van water, mineralen en suikers verstoren

Verstoort de rups het vervoer in de bastvaten? En in de houtvaten?

a)

Alleen in de bastvaten

b)

Alleen in de houtvaten

c)

Zowel in de houtvaten als de bastvaten.

33.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.


Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd?

En wordt het transport van mineralen geremd?

a)

Het transport van water en van mineralen wordt niet geremd.

b)

Alleen het transport van water wordt geremd.

c)

Alleen het transport van mineralen wordt geremd.

d)

Zowel het transport van water als van mineralen wordt geremd.

34.

Wanneer en waar vind er in een plant fotosynthese plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

35.

Welke organische stof ontstaat bij fotosynthese?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

36.

In welk onderdeel worden er voedingsstoffen gemaakt?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

37.

In welk onderdeel van de cel vindt fotosynthese plaats?

a)

vacuole

b)

celwand

c)

celkern

d)

bladgroenkorrel

38.

Wanneer en waar vind er in een plant verbranding plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

39.

Welke van de volgende stoffen zijn anorganisch?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Eiwitten

40.

Welke stof(fen) komen vrij bij verbranding?

a)

water

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof

d)

glucose

41.

Welke stof(fen) worden bij fotosynthese gemaakt?

a)

zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

42.

Bekijk de afbeelding. Bij welke nummers kan fotosynthese plaatsvinden?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

43.

De formule van verbranding is:

Glucose + (1) --> water + (2) + energie

Wat moet worden ingevuld bij 1? En wat bij 2?

a)

Bij 1 koolstofdioxide, bij 2 zuurstof

b)

Bij 1 zuurstof, bij 2 koolstofdioxide

c)

Bij 1 water, bij 2 zuurstof

d)

Bij 1 zuurstof, bij 2 suiker

44.

De formule van fotosynthese is:

Koolstofdioxide + (1) + licht --> (2) + zuurstof

Wat vul je in bij 1 en wat bij 2?

a)

Bij 1 water, bij 2 glucose

b)

Bij 1 glucose, bij 2 water

c)

Bij 1 glucose, bij 2 glucose

d)

Bij 1 water, bij 2 koolstofdioxide

45.

Het omzetten van glucose in andere energierijke stoffen heet ook wel

a)

assimilatie

b)

associatie

c)

verbranding

d)

fotosynthese

46.

Bij assimilatie

a)

Wordt energie vrijgemaakt

b)

Is energie nodig

47.

Dissimilatie is:

a)

Het afbreken van organische stoffen tot anorganische stoffen

b)

Het afbreken van organische stoffen tot organische stoffen

c)

Het opbouwen van anorganische stoffen naar anorganische stoffen

d)

Het opbouwen van anorganische stoffen naar organsche stoffen

48.

Hoe slaan aardappelplanten hun glucose op?

a)

Als glycogeen

b)

Als lactose

c)

Als zetmeel

d)

Als cellulose

e)

Als fructose

49.

DNA is

a)

Anorganisch

b)

Organisch

50.

Keukenzout (NaCl) is

a)

Organisch

b)

Anorganisch

51.

Calcium is

a)

Organisch

b)

Anorganisch

52.

Het opbouwen van vetten uit glucose en vetzuren in planten is

a)

Dissimilatie

b)

Assimilatie

53.

Het ontstaan van koolstofdioxide en water uit glucose is

a)

Dissimilatie

b)

Assimilatie

54.

Een radijs is een ...

a)

knol

b)

bol

c)

wortelstok

55.

Erwtenplanten maken zetmeel. Zetmeel is voor jou een belangrijke voedingsstof. Wat voor soort stof is een zetmeel?

a)

Een eiwit

b)

Een koolhydraat

c)

Een vet

56.

In een kas staan paprikaplanten. De planten staan in het licht. Wat gebeurt er met de hoeveelheid koolstofdioxide in de kas?

a)

De hoeveelheid koolstofdioxide neemt af.

b)

De hoeveelheid koolstofdioxide neemt toe.

c)

De hoeveelheid koolstofdioxide blijft ongeveer gelijk.

57.

Joodoplossing is een indicator van......

a)

Vitaminen

b)

Wit

c)

Zetmeel

d)

Glucose

58.

Welke kleur krijgt zetmeel als je er jood-oplossing bij doet?

a)

Groen/Geel

b)

Wit

c)

Zwart/paars

d)

Oranje/Rood