wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

🌼 BVJ | KT | Thema 5 Waarnemen

Total questions: 63

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Zie je op het plaatje een prikkel of impuls?

a)

Impuls

b)

Prikkel

2.

Welke zintuigcellen liggen in de huid?

a)

Warmtezintuigjes

b)

Tastzintuigjes

c)

Gezichtszintuigjes

d)

Gehoorzintuigjes

e)

Pijnzintuigjes

3.

Welke prikkel hoort bij de neus?

a)

Geluid

b)

Licht

c)

Geur

d)

Smaak

e)

Druk

4.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
5.
Wat zijn je zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, handen
b)
ogen, tong, oren, huid, neus
c)
ogen, voeten, mond, huid, neus
d)
ogen, oren, tong, huid, gevoel
6.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
7.
In welke laag van de huid vind je de zintuigen?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuidsbindweefsel
8.

Wat is een zintuig?

a)

Je oor

b)

Een orgaan wat ergens zin in heeft

c)

Een orgaan wat reageert op veranderingen in de omgeving

d)

Je voet

9.

Wat ontstaat in de zintuigcellen als ze een prikkel hebben opgevangen?

a)

Een impuls

b)

Niets

c)

Een nieuwe prikkel

d)

Een geluid

10.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

11.

Wat is onderdeel 3?

(a)  

12.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

13.

Wat is onderdeel 5?

(a)  

14.

Wat is onderdeel 10?

(a)  

15.

Wat is onderdeel 11?

(a)  

16.

Wat is onderdeel 13?

(a)  

17.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

18.

Welk onderdeel heeft als taak: Beschermen tegen ziekteverwekkers en uitdroging.

a)

12

b)

9

c)

8

d)

2

e)

3

19.

Welk onderdeel heeft als taak: Tastprikkels omzetten tot impulsen?

a)

12

b)

9

c)

8

d)

2

e)

3

20.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Bestaat uit dode huidcellen.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

21.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Bevat de zintuigjes, zweetklieren, talgkliertjes, etc.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

22.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Hier worden constant nieuwe huidcellen gevormd.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

23.

Bij welk onderdeel past de beschrijving: Beschermlaag bestaande uit de hoornlaag en kiemlaag.

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

e)

8

24.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

25.

Wanneer een persoon het KOUD heeft en op wilt warmen...

a)

Worden de bloedvaten nauwer

b)

Worden de bloedvaten wijder

c)

Wordt de zweetklier actief

d)

Gaan de haartjes rechtop staan

26.

Wanneer een persoon het WARM heeft en op wilt afkoelen...

a)

Worden de bloedvaten nauwer

b)

Worden de bloedvaten wijder

c)

Wordt de zweetklier actief

d)

Gaan de haartjes rechtop staan

27.

Door deze opening komt het licht het oog verder binnen.

a)

door het harde oogvlies

b)

door de pupil

c)

door de ooglens

d)

door het glasachtig lichaam

28.

De plaats in het netvlies waarmee je het scherpst ziet.

a)

het netvlies

b)

de blinde vlek

c)

de gele vlek

d)

ooglens

29.

bevat veel bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen.

a)

het harde oogvlies

b)

hoornvlies

c)

netvlies

d)

vaatvlies

30.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

31.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

32.

Wat is onderdeel 3?

(a)  

33.

Wat is onderdeel 7?

(a)  

34.

Welk onderdeel heeft als functie: Impulsen maken?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

35.

Welk onderdeel heeft als functie: Impulsen doorsturen naar de hersenen?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

36.

Welk onderdeel heeft als functie: luchtdruk binnen het oor gelijk maken aan buiten het oor?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

37.

Welk onderdeel heeft als functie: luchtdruk binnen het oor gelijk maken aan buiten het oor?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

38.

Welk onderdeel heeft als functie: Smeer aanmaken om het trommelvlies soepel te houden?

a)

7 - Slakkenhuis

b)

6 - Gehoorzenuw

c)

8 - Buis van Eustachius

d)

5 - Oorsmeerkliertjes

e)

2 - Gehoorbeentjes

39.

Via welke weg wordt een geluidsprikkel omgezet tot een impuls dat naar de hersenen gaat?

a)

Oorschelp -> Gehoorgang -> Trommelvlies -> Gehoorbeentjes -> Slakkenhuis -> Gehoorzenuw

b)

Gehoorgang -> Trommelvlies -> Gehoorbeentjes -> slakkenhuis -> Buis van Eustachius

c)

Oorschelp -> Gehoorgang -> Gehoorbeentjes -> Slakkenhuis -> Gehoorzenuw

d)

Oorschelp -> Trommelvlies -> Gehoorgang -> Gehoorbeentjes -> Gehoorzenuw

40.

Waar zorgt de wenkbrauw voor?

a)

Dat er geen vliegen in je oog komen

b)

Dat er geen zweet in je oog loopt

c)

Dat je oog schoon blijft

41.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
42.
In welke volgorde komt het licht je oog binnen?
a)
hoornvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
b)
harde oogvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
c)
harde oogvlies, lens, pupil, glasachtig lichaam, vaatvlies, netvlies
d)
hoornvlies, pupil, lens, glasachtig lichaam, netvlies
43.

Wat is onderdeel 1?

(a)  

44.

Wat is onderdeel 2?

(a)  

45.

Wat is onderdeel 4?

(a)  

46.

Wat is onderdeel 10?

(a)  

47.

Wat is onderdeel 12?

(a)  

48.

Bij welk nummer vind je de blinde vlek?

(a)  

49.

Bij welk nummer vind je de gele vlek?

(a)  

50.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
51.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
52.

Maak het schema af van prikkel tot respons

Prikkel -> Zintuig -> Impuls -> Zenuwen / Ruggemerg -> Hersenen -> .....

a)

Impuls -> Zenuwen / Ruggemerg -> Spier of klier

b)

Zenuwen / Ruggemerg -> Impuls -> Spier of klier

c)

Spier of klier -> respons

d)

Impuls -> Spier of klier

53.

'Alles wat een mens of dier doet' noemen we:

(a)  

54.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

55.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

Aangeboren gedrag

b)

Aangeleerd

gedrag

56.

je spreekt van een gedragsketen als

a)

Er gepaard wordt

b)

een dier 2 keer dezelfde handeling verricht per minuut

c)

gedrag uit een serie vaste handelingen en vaste volgorde bestaat

d)

Als een dier in het wild ander gedrag laat zien dan in gevangenschap

57.

Niet liegen hoort bij de waarde:

a)

Gezondheid

b)

Ontspanning

c)

Eerlijkheid

d)

Respect

58.

Ouderen helpen oversteken hoort bij de waarde:

a)

Eerlijkheid

b)

Openheid

c)

Ontspanning

d)

Respect

59.

Gedragsregels waaraan veel mensen vinden dat je je eraan moet houden, zijn ...

a)

normen

b)

waarden

60.

Vrijheid is een ...

a)

Waarde

b)

Norm

61.

Bekijk het plaatje. De persoon heeft een bril nodig om in de verte scherp te zien. Dichtbij zien ze wel scherp. Deze persoon is...

a)

Bijziend

b)

Verziend

62.

Bekijk het plaatje. De persoon heeft een bril nodig om dichtbij scherp te zien. In de verte zien ze wel scherp. Deze persoon is...

a)

Bijziend

b)

Verziend

63.

Welk type glazen heeft een verziend persoon nodig?

a)

Holle (-)

b)

Bolle (+)