Worksheetshebben en zijn
Total questions: 30
Worksheet time: 25mins
Ik ___________ (zijn) moe vandaag.
bent
zijn
heb
ben
Bob en Eva _________ (hebben) een huis.
hebben
heb
heeft
hebt
Tim _____________ (hebben) geen geld voor een nieuwe laptop.
hebben
hebt
heeft
heb
Wij _____________ (zijn) moe.
zijn
ben
bent
is
Ik _____________ (zijn) altijd laat.
zijn
beny
ben
is
Zij _____________ (hebben) geen zin in de les, want zij heeft slecht geslapen.
hebben
heeft
hebt
heb
Hij _____________ (zijn) een lieve man.
zijn
ben
is
bent
Jij _____________ (zijn) erg druk vandaag.
is
zijn
ben
bent
Jullie _____________ (zijn) moe, of niet?
is
ben
zijn
bent
Ik _____________ (hebben) nooit honger als ik net wakker ben.
heeft
hebben
hebt
heb
Ik (a) (zijn) een leerling.
Jij (a) (zijn) een leerling.
Hij (a) (zijn) een leerling.
Petra (a) (zijn) een leerling.
Jullie (a) (zijn) leerlingen.
Wij (a) (zijn) leerlingen.
Ik (a) (hebben) een telefoon.
Jij (a) (hebben) een telefoon.
Melih (a) (hebben) een telefoon.
Nastya (a) (hebben) een telefoon.
Mia en Heorhii (a) (hebben) een telefoon.
(zijn) (a) ik jullie lerares?
(zijn) (a) jij boos?
(zijn) (a) hij blij?
(zijn) (a) die leerlingen op tijd?
(hebben) (a) ik tijd om naar de wc te gaan?
(hebben) (a) jij tijd om naar de wc te gaan?
(hebben) (a) wij tijd om naar de wc te gaan?
(hebben) (a) mevrouw Zukic een fijn weekend gehad?
De toets (zijn) (a) klaar!
