wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 + V6 H3 Endogene en exogene processen

Total questions: 67

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Het binnenste deel van de aarde waar warmte ontstaat.

(a)  

2.

Het buitenste laagje van de aarde dat bestaat uit stukken oceaanbodem en stukken continent.

(a)  

3.

Het deel van de aarde waar de aardkorst op drijft.

(a)  

4.

Het gedeelte van de mantel dat gedeeltelijk vloeibaar is en waar de lithosfeer overheen beweegt.

(a)  

5.

Stollingsgesteente dat ontstaat bij vulkaanuitbarstingen en veel in oceanische korst voorkomt.

(a)  

6.

Stroming van vloeibaar gesteente in de aardmantel ontstaan door de afgifte van warmte vanuit de aardkern.

(a)  

7.

De diepste plaatsen in de zeebodem die ontstaan waar oceanische korst onder andere korst wordt geduwd.

(a)  

8.

Stollingsgesteente dat ondergronds stolt.

(a)  

9.

De aardkorst en bovenste deel van de aardmantel die samen als aardplaten bewegen.

(a)  

10.

Een wereldwijd aaneengesloten "onderwatergebergte" op de oceaanbodem ontstaan doordat oceanische korst uit elkaar drijft.

(a)  

11.

Het idee dat natuurlijke processen zoals ze tegenwoordig verlopen in het verleden op dezelfde wijze hebben gedaan.

(a)  

12.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten naar elkaar bewegen.

(a)  

13.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten uit elkaar bewegen.

(a)  

14.

Het bewegen van de aardplaten.

(a)  

15.

Het wegduiken van oceaanbodem in de aardmantel.

(a)  

16.

Het enorme continent dat ongeveer 200 miljoen jaar geleden bestond uit alle huidige continenten samen.

(a)  

17.

De plaatgrenzen waarbij aardplaten langs elkaar bewegen.

(a)  

18.

Een grote cirkelvormige krater ontstaan nadat het bovenste deel van de vulkaan is weggeblazen, of is ingestort.

(a)  

19.

Een vulkaanuitbarsting met een rustig verloop.

(a)  

20.

Een explosief verlopende uitbarsting van een vulkaan.

(a)  

21.

Plek op aarde waar in de aardmantel pluimen van zeer heet magma omhoogkomen.

(a)  

22.

Al het materiaal dat bij een vulkaanuitbarsting in de lucht wordt geslingerd, zoals lava, as en stenen.

(a)  

23.

Een vulkaan die ontstaat doordat de dun vloeibare basaltische lava rustig vanuit de krater stroom en een uitgestrekt gebied kan bedekken.

(a)  

24.

Kegelvormige vulkaan die bestaat uit een gelaagde opbouw van afwisselend as- en lavalagen.

(a)  

25.

Gebergte dat ontstaat wanneer langs een breuk een deel van de aardkorst wegzakt of een ander deel omhoog komt.

(a)  

26.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer magma ondergronds afkoelt en stolt.

(a)  

27.

De doorgaande vorming van stollingsgesteente naar sedimentgesteente naar metamorf gesteente.

(a)  

28.

Een stuk aardkorst dat langs een breuk omhoog gekomen is.

(a)  

29.

Kringloop van water.

(a)  

30.

Stijgend magma dat vast gesteente binnendringt, afkoelt en stolt.

(a)  

31.

Stijgend magma dat vast gesteente binnendringt, afkoelt en stolt.

(a)  

32.

Metamorf gesteente dat ontstaat uit schalie.

(a)  

33.

Metamorf gesteente dat ontstaat uit kalksteen.

(a)  

34.

Gesteente dat ontstaat doordat bestaand gesteente onder invloed van hoge temperatuur en grote druk langzaam wordt vervormd.

(a)  

35.

Gebergte dat ontstaat door de druk in de aardkorst waarbij gesteente geplooid en opgeheven wordt.

(a)  

36.

Gesteente dat ontstaat doordat vloeibare lava of vloeibaar magma stolt.

(a)  

37.

Een stuk aardkorst dat langs een breuk naar beneden is gezakt.

(a)  

38.

Stollingsgesteente dat ontstaat wanneer lava aan het oppervlak afkoelt en stolt.

(a)  

39.

De kegelvormige ophoping van verweringsmateriaal die ontstaat zodra de stroomsnelheid van een rivier plotseling snel afneemt.

(a)  

40.

De hoofdrivier met al haar zijrivieren en zijtakken .

(a)  

41.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van lagen klei.

(a)  

42.

Het ophopen van sediment op plaatsen waar de snelheid van water of wind afneemt.

(a)  

43.

Het verbrokkelen van gesteente onder invloed van het weer en de werking van planten.

(a)  

44.

Gebied waarbinnen al het regen- en smeltwater via een hoofdrivier wordt meegenomen.

(a)  

45.

Het vervoer van verweringsmateriaal door ijs, water en wind.

(a)  

46.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van lagen zand.

(a)  

47.

Het oplossen van gesteente door inwerking van water, zuren en zuurstof.

(a)  

48.

Nieuw land in zee dat ontstaat op een plaats waar een rivier in zee uitmondt en het sediment ophoopt.

(a)  

49.

De uitschurende werking van water, wind of ijs dat in beweging is.

(a)  

50.

Een trechtervormige riviermonding die ontstaat bij grote verschillen tussen eb en vloed.

(a)  

51.

Het verbrokkelen van gesteente door het bevriezen van water, temperatuurverschillen of de werking van wortels.

(a)  

52.

Sedimentgesteente dat ontstaat door het samenpersen van schelpen en kalkskeletten.

(a)  

53.

Het langs een helling naar beneden bewegen van verweringsmateriaal.

(a)  

54.

Materiaal dat door een gletsjer wordt neergelegd.

(a)  

55.

De ophoping van gesteenten die door massabewegingen langs de helling naar beneden zijn gekomen.

(a)  

56.

Golven die ontstaan door aardbevingen op de bodem van de oceaan.

(a)  

57.

Een grote cirkelvormige krater ontstaan nadat het bovenste deel van de vulkaan is weggeblazen na een zeer krachtige eruptie of is ingestort na het snel leeglopen van de magmakamer.

(a)  

58.

Een vulkaanuitbarsting met een rustig verloop.

(a)  

59.

Een met heel veel kracht verlopende uitbarsting van een vulkaan.

(a)  

60.

De indeling van de geschiedenis van de aarde in tijdvakken.

(a)  

61.

De sterkte van een aardbeving gemeten aan de hand van de hoeveelheid schade.

(a)  

62.

De sterkte van een aardbeving gemeten aan de hand van de hoeveelheid vrijgekomen energie.

(a)  

63.

Al het materiaal dat bij een vulkaanuitbarsting in de lucht wordt geslingerd, zoals lava, as en stenen.

(a)  

64.

Kracht die optreedt bij de midoceanische rug waar oceanische lithosfeer door zijn gewicht de rest van de aardplaat zijdelings wegduwt.

(a)  

65.

Een vulkaan die ontstaat doordat de dun uitvloeibare basaltische lava rustig vanuit de krater uitstroomt en een uitgestrekt gebied kan bedekken.

(a)  

66.

Wegzakkende oceanische lithosfeer trekt door zijn gewicht de rest van de aardplaat met zich mee de mantel in.

(a)  

67.

Kegelvormige vulkaan die bestaat uit een gelaagde opbouw van afwisselend as- en lavalagen.

(a)